Lesblok2_01 NL-SP.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
85755
Filename:
Lesblok2_01 NL-SP.txt
Updated:
2011-05-14 05:26:58
Tags:
Lesblok2 NL SP
Folders:

Description:
Lesblok2_01 NL-SP
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Uiteraard!
    ¡Cómo no!
  2. Eet smakelijk!
    ¡Qué aproveche!
  3. Op welke naam?
    ¿A qué nombre?
  4. achteraan
    al fondo
  5. rechts, aan de rechterkant
    a la derecha
  6. links, aan de linkerkant
    a la izquierda
  7. airconditioning
    aire acondicionado
  8. met uitzicht op zee
    con vista al mar
  9. de lunch
    el almuerzo
  10. de bellboy
    el botones
  11. het ontbijt
    el desayuno
  12. de bagage
    el equipaje
  13. ik begrijp (het)
    entiendo
  14. Het is heel vreemd.
    Es muy extraño.
  15. We zijn heel moe.
    Estamos muy cansados.
  16. Ik ben heel moe.
    Estoy muy cansado/ -a.
  17. hij heeft gebeld
    ha llamado
  18. hij heeft gereserveerd
    ha reservado
  19. een maand geleden
    hace un mes
  20. ik heb gestuurd
    he mandado
  21. we hebben gegeten
    hemos comido
  22. we hebben gereserveerd
    hemos reservado
  23. we zijn uitgegaan
    hemos salido
  24. inclusief BTW
    IVA incluído
  25. het diner
    la cena
  26. dragen/ brengen
    llevar
  27. ongeveer
    más o menos
  28. er zijn nog kamers (over)
    quedan habitaciones
  29. een tweepersoonskamer
    una doble
  30. een kamer
    una habitación
  31. een eenpersoonskamer
    una individual
  32. ik heb gewerkt
    Yo he trabajado.
  33. ik ben gegaan
    Yo he ido.
  34. ik heb geleefd
    Yo he vivido.
  35. jij hebt betaald
    Tú has pagado.
  36. jij hebt gesproken
    Tú has hablado.
  37. hij heeft geprobeerd
    Él ha intentado.
  38. Merche heeft gedanst
    Merche ha bailado.
  39. we hebben gelezen
    Nosotros hemos leído.
  40. jullie zijn uitgegaan
    Vosotros habéis salido.
  41. ik heb gekregen
    Yo he dado.
  42. zij zijn geweest
    Ellos han sido.
  43. u bent geweest (mv, estar)
    Ustedes han estado.
  44. De trein is vertrokken.
    El tren ha salido ya
  45. Ze hebben een kamer gereserveerd.
    Han reservado una habitación.
  46. Ik heb een email gestuurd.
    He mandado un email.
  47. Ik heb de bellboy € 2,- gegeven.
    (Le) he dado € 2,- al botones.
  48. Hoe laat zijn jullie naar het feest gegaan?
    ¿A qué hora habéis ido a la fiesta?
  49. het appartement
    el piso
  50. het huis
    la casa
  51. de oppervlakte
    la superficie
  52. de slaapkamer
    el dormitorio
  53. de huiskamer
    el salón
  54. de badkamer
    el cuarto de baño
  55. de keuken
    la cocina
  56. het toilet
    el baño/ el aseo
  57. de vloer
    el suelo
  58. de muur
    la pared
  59. het plafond/ het dak
    el techo
  60. het balkon
    el balcón
  61. het terras
    la terraza
  62. de tuin
    el jardín
  63. de benedenverdieping/ de begane grond
    la planta baja
  64. de zolder
    el desván
  65. de (wijn-) kelder
    el sótano, la bodega
  66. de meubels
    los muebles
  67. de apparatuur
    los aparatos
  68. de bank
    el sofá
  69. de fauteuil
    el sillón
  70. de tafel
    la mesa
  71. de stoel
    la silla
  72. het meubel
    el mueble
  73. de TV
    la televisión
  74. de verdieping/ de plant
    la planta
  75. het vloerkleed
    la alfombra
  76. het eenpersoonsbed
    la cama individua
  77. het tweepersoonsbed
    de matrimonio
  78. de spiegel
    el espejo
  79. de kast
    el armario
  80. het (nacht-) kastje
    la mesilla (de noche)
  81. het bad
    la bañera
  82. de wastafel
    el lavabo
  83. de douche
    la ducha
  84. de kookplaat
    la placa
  85. de spoelbak
    el fregadero
  86. de wasmachine
    la lavadora
  87. de wasdroger
    la secadora
  88. de vaatwasser
    el lavavajillas
  89. de magnetron
    el microondas
  90. de koelkast
    la nevera/ el frigorífico
  91. de oven
    el horno
  92. de plaatsen/ de plekken
    los lugares
  93. in/ bij/ op
    en
  94. vlak bij
    cerca de
  95. aan het einde van
    al final de
  96. rechts
    a la derecha
  97. links
    a la izquierda
  98. tussen
    entre
  99. de tegenover
    enfrente
  100. naast
    al lado (de)
  101. Ik spreek Spaans.
    Yo hablo español.
  102. Ik heb Spaans gesproken.
    Yo he hablado español.
  103. Jij spreekt Spaans.
    Tú hablas español.
  104. Jij hebt Spaans gesproken.
    Tú has hablado español.
  105. Hij spreekt Spaans.
    Él habla español.
  106. Hij heeft Spaans gesproken.
    Él ha hablado español.
  107. Wij spreken Spaans.
    Nosotros hablamos español.
  108. Wij hebben Spaans gesproken.
    Nosotros hemos hablado español.
  109. Jullie spreken Spaans.
    Vosotros habláis español.
  110. Jullie hebben Spaans gesproken.
    Vosotros habéis hablado español.
  111. Zij spreken Spaans.
    Ellos hablan español.
  112. Zij hebben Spaans gesproken.
    Ellos han hablado español.
  113. open doen
    abrir
  114. opengedaan
    abierto
  115. zeggen
    decir
  116. gezegd
    dicho
  117. schrijven
    escribir
  118. geschreven
    escrito
  119. doen
    hacer
  120. gedaan
    hecho
  121. sterven
    morir
  122. gestorven
    muerto
  123. zetten, leggen
    poner
  124. gezet, gelegd
    puesto
  125. breken, kapot maken
    romper
  126. gebroken, kapot gemaakt
    roto
  127. zien
    ver
  128. gezien
    visto
  129. teruggaan, terugkomen
    volver
  130. teuggegaan, teruggekomen
    vuelto
  131. beëindigen, stoppen
    acabar
  132. het tankstation
    la estación de servicio
  133. na
    después de
  134. na de zomer
    después del verano
  135. op vakantie gaan
    ir de vacaciones
  136. Wat een toeval !
    ¡Qué casualidad!
  137. al eens (een keer)
    alguna vez
  138. nooit
    nunca
  139. stelen
    robar
  140. ze hebben van me gestolen
    me han robado
  141. mijn portemonnee
    mi cartera
  142. mijn digitale camera
    mi cámara digital
  143. al
    ya
  144. het feest
    la fiesta
  145. huren
    alquilar
  146. beter, best
    mejor
  147. zijn beste liedjes
    sus mejores canciones
  148. het afgelopen weekend
    el fin de semana pasado
  149. beroemd
    famoso/ -a
  150. een jaar geleden
    hace un año
  151. een dag geleden
    hace un día
  152. een maand geleden
    hace un mes
  153. een week geleden
    hace una semana
  154. proberen
    intentar
  155. voor de laatste keer
    por última vez
  156. de laatste film
    la última película
  157. laatste
    último/ última
  158. mijn huis is erg groot
    Mi casa es muy grande.
  159. de ring is nieuw
    La lavadora es nueva.
  160. mijn vrienden zijn leuk
    Mis amigos son simpáticos.
  161. de stoel is blauw
    La silla es azul.
  162. ik ben nederlander
    Soy holandés.
  163. wij zijn kapsters
    Somos peluqueras
  164. de magnetron is in de keuken
    El microondas está en la cocina.
  165. de keuken is niet schoon
    La cocina no está limpia
  166. de koffie is koud
    El café está frío.
  167. is er een apotheek dichtbij
    ¿Hay una farmacia cerca?
  168. in mijn appartement zijn er vier slaapkamers
    En mi piso hay cuatro dormitorios.
  169. er zijn veel problemen in dit land
    Hay muchos problemas en este país.
  170. zijn er nog vragen?
    ¿Hay preguntas?
  171. zijn huis heeft een grote tuin
    Su casa tiene un jardín muy grande.
  172. ik heb een appartement in Barcelona
    Yo tengo un piso en Barcelona
  173. Waarheen?
    ¿Adónde?
  174. Welk, welke?
    ¿Cuál/ cuáles?
  175. Wat?
    ¿Qué?
  176. Hoeveel?
    ¿Cuánto/ cuánta/ cuántos/ cuántas?
  177. Hoe?
    ¿Cómo?
  178. Wie?
    ¿Quién/ quiénes?
  179. Wanneer?
    ¿Cuándo?
  180. Hoe laat?
    ¿A qué hora...?
  181. Waarom?
    ¿Por qué?
  182. omdat
    porque
  183. Waar is de/ het ... ?
    ¿Dónde está el/ la ...?
  184. Waar is er een ...?
    ¿Dónde hay un/ una ...?
  185. de kleur/ de kleuren
    el color/ los colores
  186. Welke kleur heeft hij?
    ¿Qué color tiene?
  187. bruin
    marrón
  188. grijs
    gris
  189. rood
    rojo
  190. wit
    blanco
  191. blauw
    azul
  192. zwart
    negro
  193. geel
    amarillo
  194. groen
    verde
  195. oranje
    naranja
  196. de kapper
    el peluquero
  197. schoon
    limpio
  198. Welnee!
    ¡Qué va!
  199. niet eens
    ni siquiera
  200. altijd
    siempre

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview