Lesblok2_zinnen_01 NL-SP.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
88809
Filename:
Lesblok2_zinnen_01 NL-SP.txt
Updated:
2011-06-02 11:07:08
Tags:
Lesblok2 zinnen NL SP
Folders:

Description:
Lesblok2_zinnen_01 NL-SP
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Ik studeer Spaans om in Barcelona te werken
    Estudio español para trabajar en Barcelona.
  2. Ik ben Spaanse, maar zij komt uit Colombia
    Yo soy española pero ella es de Colombia.
  3. Wat drinken jullie? Wijn of bier?
    ¿Qué bebéis: vino o cerveza?
  4. Goedendag meneer Jansen! Wat wenst u?
    ¡Buenos días, señor Jansen! ¿Qué desea (usted)?
  5. Marta, weet jij wanneer de examens beginnen?
    Marta, ¿sabes cuándo empieza el examen?
  6. Nee, ik weet het niet
    No, no lo sé.
  7. Deze zaterdag gaan we naar het winkelcentrum
    Este sábado vamos al centro comercial.
  8. Ik heb een zus die chemie studeert in Madrid.
    Tengo un hermano que estudia Química en Madrid.
  9. In de Spaanse les lezen we teksten en maken we grammatica-oefeningen
    En clase de español leemos textos y hacemos ejercicios de gramática.
  10. De ouders van mijn moeder zijn mijn grootouders
    Los padres de mi madre son mis abuelos.
  11. Als voorgerecht wil ik gazpacho en als hoofdgerecht de paella
    De primero quisiera el gazpacho y de segundo la paella.
  12. Palma is de hoofdstad van Mallorca en is erg mooi
    Palma es la capital de Mallorca y es una ciudad muy bonita
  13. SEAT is een Spaans merk auto
    SEAT es marca de coches españoles.
  14. Ik woon in Málaga maar kom uit Madrid
    Yo vivo en Málaga pero soy de Madrid.
  15. Hoe heet je?
    ¿Cómo te llamas?
  16. Hoe schrijf je jouw achternaam?
    ¿Cómo se escribe tu apellido?
  17. Waar kom je vandaan?
    ¿De dónde eres?
  18. Waar woon je in Nederland?
    ¿Dónde vives en Holanda?
  19. Welke talen spreek je?
    ¿Qué idiomas hablas?
  20. Werk je of studeer je?
    ¿Trabajas o estudias?
  21. Hoe oud ben je?
    ¿Cuántos años tienes?
  22. Wat wil je nemen?
    ¿Qué quieres tomar?
  23. Heb je broers?
    ¿Tienes hermanos?
  24. Hoe heten ze?
    ¿Cómo se llaman?
  25. Hoe oud zijn ze?
    ¿Cuántos años tienen?
  26. Hoe laat is het?
    ¿Qué hora es?
  27. Hoe laat staat je normaal op?
    ¿A qué hora te levantas normalmente?
  28. Hoe laat ontbijt je meestal?
    ¿A qué hora desayunas normalmente?
  29. Hoe laat ga je normaal naar het werk?
    ¿A qué hora vas al trabajo normalmente?
  30. Wat doe je 's avonds meestal?
    ¿Qué haces normalmente por la noche?
  31. Doe je een sport?
    ¿Haces algún deporte?
  32. Speel je een instument?
    ¿Tocas algún instrumento?
  33. Wat is je email?
    ¿Cuál es tu email?
  34. Hoe laat ga je normaal slapen?
    ¿A qué hora vas a dormir normalmente?
  35. Wat doe je graag in het weekend?
    ¿Qué te gusta hacer en los fines de semana?
  36. Wat wil je nemen?
    ¿Qué quieres hacer?
  37. Hoe duur is de Volkskrant?
    ¿Cuánto cuesta de Volkskrant?
  38. Hoe duur zijn de schoenen?
    ¿Cuánto cuestan los zapatos?
  39. Hoe laat opent de winkel?
    ¿A qué hora abre la tienda?
  40. Waar is je mobiel?
    ¿Dónde está tu móvil?
  41. Ik schrijf veel emails aan ons kantoor in Caracas
    Yo escribo muchos emails a nuestra oficina en Caracas.
  42. We openen het raam omdat het warm is
    Abrimos la ventana porque hace calor.
  43. Kijk je veel TV of alleen het nieuws?
    Ves mucho la tele o sólo el telediario?
  44. Betaalt u met euro's of pesos? (mv)
    ¿Ustedes pagan con euros o con pesos?
  45. Carolina y Beatriz komen uit Sevilla en dansen schitterend
    Carolina y Beatriz son de Sevilla y bailan fenomenal.
  46. Ik verkoop mijn laptop omdat ik het geld nodig heb
    Vendo mi portátil porque necesito el dinero.
  47. We hebben de trap genomen tot de vijfde verdieping
    Nosotros subimos las escaleras hasta la quinta planta.
  48. Hey guys, komen jullie naar m'n feestje morgen?
    Oye chicos, ¿ venís a mi fiesta mañana?
  49. Denk je dat we dit jaar een kerstpakket krijgen?
    ¿Tú crees que vamos a tener una cesta de Navidad este año?
  50. Ik ben een ramp, heel vaak vergeet ik mijn sleutels van mijn appartement
    Yo soy un desastre, muchas veces olvido las llaves de mi piso.
  51. Goedenavond
    Buenas noches.
  52. Wij hebben een kamer gereserveerd
    Hemos reservado una habitación.
  53. Op welke naam?
    ¿A qué nombre?
  54. Het is heel vreemd, maar uw naam staat niet op mijn lijst
    Es muy extraño pero su nombre no está en mi lista.
  55. Wanneer heeft u gereserveerd?
    ¿Cuándo ha reservado?
  56. Ongeveer een maand geleden
    Hace un mes más o menos,
  57. Ik weet het niet precies
    No sé exactamente.
  58. Heeft u gebeld of heeft u gereserveerd via Internet?
    ¿Usted ha llamado por teléfono o ha reservado por internet?
  59. Ik heb een email gestuurd
    He mandado un email.
  60. Is er een probleem?
    ¿Hay un problema?
  61. Er is geen probleem
    No hay problema
  62. Wij zijn erg moe
    Estamos muy cansados
  63. We hebben nog niet gegeten
    No hemos comido todavía
  64. Welk type kamer heeft u nodig?
    ¿Qué tipo de habitación necesita?
  65. Heeft de badkamer een ligbad?
    ¿El cuarto de baño tiene bañera?
  66. Welke prijs heeft het?
    ¿Qué precio tiene?
  67. Kunnen we nu iets eten?
    ¿Podemos comer algo ahora?
  68. Het restaurant is daar, aan het einde links
    El restaurante está allí al fondo a la izquierda
  69. Eet smakelijk!
    ¡Qué aproveche!
  70. Ik koop een nieuwe auto.
    Yo compro un coche nuevo.
  71. Ik heb een nieuwe auto gekocht.
    Yo he comprado un coche nuevo.
  72. We zijn op het strand.
    Nosotros estamos en la playa.
  73. We zijn op het strand geweest.
    Nosotros hemos estado en la playa.
  74. Zij wonen in Argentinië.
    Ellos viven en Argentina.
  75. Ze hebben in Argentinië gewoond.
    Ellos han vivido en Argentina.
  76. Ik spreek Spaans.
    Yo hablo español.
  77. Ik heb Spaans gesproken.
    Yo he hablado español.
  78. Jij spreekt Spaans.
    Tú hablas español.
  79. Jij hebt Spaans gesproken.
    Tú has hablado español.
  80. Hij spreekt Spaans.
    Él habla español.
  81. Hij heeft Spaans gesproken.
    Él ha hablado español.
  82. Wij spreken Spaans.
    Nosotros hablamos español.
  83. Wij hebben Spaans gesproken.
    Nosotros hemos hablado español.
  84. Jullie spreken Spaans.
    Vosotros habláis español.
  85. Jullie hebben Spaans gesproken.
    Vosotros habéis hablado español.
  86. Zij spreken Spaans.
    Ellos hablan español.
  87. Zij hebben Spaans gesproken.
    Ellos han hablado español.
  88. Ik heb gewerkt
    Yo he trabajado.
  89. Ik ben gegaan
    Yo he ido.
  90. Ik heb geleefd
    Yo he vivido.
  91. Jij hebt betaald
    Tú has pagado.
  92. Jij hebt gesproken
    Tú has hablado.
  93. Hij heeft geprobeerd
    Él ha intentado.
  94. Merche heeft gedanst
    Merche ha bailado.
  95. Mijn broer en ik hebben gelezen
    Mi hermano y yo hemos leído.
  96. Jullie zijn uitgegaan
    Vosotros habéis salido.
  97. Eduardo en Paco hebben gegeven
    Eduardo y Paco han dado.
  98. Maria en Isabel zijn geweest (ser)
    María Paz e Isabel han sido.
  99. Zij zijn geweest (estar)
    Ustedes han estado.
  100. Deze ochtend heb ik bij het tankstation gewerkt
    Esta mañana yo he trabajado en la estación de servicio
  101. Deze zomer zijn we in Cuba geweest
    Este verano hemos estado en Cuba
  102. Heb je het boek 'La catedral del mar' gelezen?
    ¿Has leído el libro ‘La catedral del mar?
  103. Mijn zus heeft een appartement in Blanes gekocht
    Mi hermana ha comprado un piso en Blanes
  104. Heb je al eens paella in Valencia gegeten?
    ¿Has comido alguna vez paella en Valencia?
  105. Heeft u al betaald?
    ¿Usted ha pagado la cuenta ya?
  106. Op hert strand hebben ze mijn mobiel en portemonnee gestolen
    En la playa me han robado mi móvil y mi cartera.
  107. Wij zijn om half vijf in de ochtend vertrokken
    Nosotros hemos salido a las cuatro y media de la mañana
  108. De trein is al vertrokken.
    El tren ha salido ya
  109. Ze hebben een kamer gereserveerd.
    Han reservado una habitación.
  110. Ik heb een email gestuurd.
    He mandado un email.
  111. Ik heb de bellboy € 2,- gegeven.
    He dado € 2,- al botones.
  112. Hoe laat zijn jullie naar het feest gegaan?
    ¿A qué hora habéis ido a la fiesta?
  113. Ik studeer voor het examen van maandag
    Estudio para el examen del lunes.
  114. Ik eet in een heel beroemd restaurant
    Como en un restaurante muy famoso.
  115. Wij spelen volleybal op het stand
    Jugamos al voleibol en la playa.
  116. De film begint om acht uur
    La película empieza a las 20:00.
  117. Juan en zijn vrienden gaan naar een club in Santander
    Juan y sus amigos van a un club en Santander.
  118. Deze zomer huren we een grotere auto
    Este verano alquilamos un coche más grande.
  119. We gaan winkelen in het winkelcentrum
    Vamos de compras en el centro comercial.
  120. Enrique zingt zijn beste liedjes
    Enrique canta sus mejores canciones.
  121. Wanneer ben je teruggekomen van Spanje?
    ¿Cuándo has vuelto de España?
  122. Wat heb je vandaag gegeten?
    ¿Qué has comido hoy?
  123. Wat heb je vandaag gedaan?
    ¿Qué has hecho hoy?
  124. Wat heb je dit weekend gedaan?
    ¿Qué has hecho este fin de semana?
  125. Wat is de laatste film die je hebt gezien?
    ¿Cuál es la última película que has visto?
  126. Wanneer heb je voor de laatste keer in een restaurant gegeten?
    ¿Cuándo has comido por última vez en un restaurante?
  127. Het is koud
    Hace frío (NIET: está frío)
  128. Een grote bank
    Una sofá grande / una gran sofá
  129. Een goede vriend
    Un amigo bueno / un buen amigo
  130. Waar is het appartement van Julia?
    ¿Dónde está el piso de Julia?
  131. Wat is de oppervlakte van het appartement?
    ¿Cuál es la superficie del piso?
  132. Hoeveel slaapkamers heeft het?
    ¿Cuántos dormitorios tiene?
  133. Wat is er in de woonkamer?
    ¿Qué hay en el salón?
  134. Hoeveel kamers zijn er in het appartement?
    ¿Cuántas camas hay en el piso?
  135. Waar zijn de drie slaapkamers?
    ¿Dónde están los tres dormitorios?
  136. Wat is er in de slaapkamers?
    ¿Qué hay en los dormitorios?
  137. Wat is er in de grote badkamer?
    ¿Qué hay en el cuarto de baño grande?
  138. Waar is de douche?
    ¿Dónde está la ducha?
  139. Waar is de wasmachine?
    ¿Dónde está la lavadora?
  140. Is het een antiek appartement?
    ¿Es un piso antiguo?
  141. Vierkante meters (m2)
    Metros quadrados
  142. mijn huis is erg groot
    Mi casa es muy grande.
  143. de wasmachine is nieuw
    La lavadora es nueva.
  144. mijn vrienden zijn leuk
    Mis amigos son simpáticos.
  145. de stoel is blauw
    La silla es azul.
  146. De bruiloft vindt plaats in Madrid
    La boda es en Madrid
  147. Het feest vindt plaats op het strand
    La fiesta es en la playa
  148. ik ben nederlander
    Soy holandés.
  149. wij zijn kapsters
    Somos peluqueras
  150. Pepe is ziek (chronisch)
    Pepe es enfermo
  151. Pepe heeft griep
    Pepe está enfermo / malo
  152. de magnetron is in de keuken
    El microondas está en la cocina.
  153. de keuken is niet schoon
    La cocina no está limpia
  154. de koffie is koud
    El café está frío.
  155. is er een apotheek dichtbij
    ¿Hay una farmacia cerca?
  156. in mijn appartement zijn er vier slaapkamers
    En mi piso hay cuatro dormitorios.
  157. er zijn veel problemen in dit land
    Hay muchos problemas en este país.
  158. zijn er nog vragen?
    ¿Hay preguntas?
  159. zijn huis heeft een grote tuin
    Su casa tiene un jardín muy grande.
  160. ik heb een appartement in Barcelona
    Yo tengo un piso en Barcelona
  161. De wasmachine is in de keuken en van het merk Siemens.
    La lavadora está en la cocina y es de marca Siemens.
  162. Het appartement is in het oude centrum, maar modern.
    El piso está en el centro antiguo pero es moderno.
  163. In deze slaapkamer zijn twee eenpersoonsbedden, ze zijn groot.
    En este dormitorio hay dos camas individuales
  164. Het appartement heeft een terras, maar geen tuin.
    El piso tiene una terraza pero no tiene jardín.
  165. Waar zijn de planten? - Nou, in de woonkamer zijn er twee.
    ¿Dónde están las plantas? – Bueno, en el salón hay dos.
  166. De stoel is grijs en is naast de bank.
    El sillón es gris y está al lado del sofá.
  167. We hebben een huis in Spanje
    het is aan de Costa Brava.
  168. Veel Nederlanders hebben een huis in Turkije, omdat het minder duur is dan in Spanje.
    Muchos holandeses tienen una casita en Turquía porque es menos caro que España.
  169. Heeft jouw huis een vaatwasser? - Welnee, niet eens een wasmachine.
    ¿Tu casa tiene lavavajillas? – Qué va, ni siquiera tiene/ hay lavadora.
  170. Aan de rechterkant van de hal is de badkamer en links een lounge.
    A la derecha del pasillo está el cuarto de baño y a la izquierda hay un salón.
  171. Ik vind deze rok niet mooi.
    No me gusta esta falda.
  172. Vind je deze schoenen mooi?
    ¿Te gustan estos zapatos?
  173. Hij houdt niet van lezen.
    Él no le gusta leer.
  174. Wij vinden Nederland heel leuk.
    Nos gusta mucho Holanda.
  175. En jullie, houden jullie van skiën?
    Y a vosotros, ¿os gusta esquiar?
  176. Zij houden van schaken.
    Les gusta jugar al ajedrez .
  177. Ik kan het me niet meer herinneren
    Ya no me acuerdo
  178. Ik vind de films van Pedro Almodóvar heel leuk
    Me encantan las películas de Pedro Almodóvar.
  179. Ik stoor mij me aan de reclame op de televisie
    A mí me molesta la publicidad en la tele.
  180. Mijn rug doet erg pijn
    Me duele mucho la espalda.
  181. En jij, interesseer jij je in architectuur?
    Y a ti, ¿te interesa la arquitectura?
  182. Past/zit de jurk goed mevrouw?
    ¿Le queda bien el vestido, señora?

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview