Lesblok2_woorden_01 SP-NL.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
88811
Filename:
Lesblok2_woorden_01 SP-NL.txt
Updated:
2011-06-02 11:09:02
Tags:
Lesblok2 woorden SP NL
Folders:

Description:
Lesblok2_woorden_01 SP-NL
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ¡Cómo no!
    Uiteraard!
  2. ¡Qué aproveche!
    Eet smakelijk!
  3. ¿A qué nombre?
    Op welke naam?
  4. al fondo
    achteraan
  5. a la derecha
    rechts, aan de rechterkant
  6. a la izquierda
    links, aan de linkerkant
  7. aire acondicionado
    airconditioning
  8. con vista al mar
    met uitzicht op zee
  9. el almuerzo
    de lunch
  10. el botones
    de bellboy
  11. el desayuno
    het ontbijt
  12. el equipaje
    de bagage
  13. entiendo
    ik begrijp (het)
  14. Es muy extraño.
    Het is heel vreemd.
  15. Estamos muy cansados.
    We zijn heel moe.
  16. Estoy muy cansado/ -a.
    Ik ben heel moe.
  17. ha llamado
    hij heeft gebeld
  18. ha reservado
    hij heeft gereserveerd
  19. hace un mes
    een maand geleden
  20. he mandado
    ik heb gestuurd
  21. hemos comido
    we hebben gegeten
  22. hemos reservado
    we hebben gereserveerd
  23. hemos salido
    we zijn uitgegaan
  24. IVA incluído
    inclusief BTW
  25. la cena
    het diner
  26. llevar
    dragen/ brengen
  27. más o menos
    ongeveer
  28. quedan habitaciones
    er zijn nog kamers (over)
  29. una doble
    een tweepersoonskamer
  30. una habitación
    een kamer
  31. una individual
    een eenpersoonskamer
  32. Yo he trabajado.
    ik heb gewerkt
  33. Yo he ido.
    ik ben gegaan
  34. Yo he vivido.
    ik heb geleefd
  35. Tú has pagado.
    jij hebt betaald
  36. Tú has hablado.
    jij hebt gesproken
  37. Él ha intentado.
    hij heeft geprobeerd
  38. Merche ha bailado.
    Merche heeft gedanst
  39. Nosotros hemos leído.
    we hebben gelezen
  40. Vosotros habéis salido.
    jullie zijn uitgegaan
  41. Yo he dado.
    ik heb gekregen
  42. Ellos han sido.
    zij zijn geweest
  43. Ustedes han estado.
    u bent geweest (mv, estar)
  44. el piso
    het appartement
  45. la casa
    het huis
  46. la superficie
    de oppervlakte
  47. el dormitorio
    de slaapkamer
  48. el salón
    de huiskamer
  49. el cuarto de baño
    de badkamer
  50. la cocina
    de keuken
  51. el baño/ el aseo
    het toilet
  52. el suelo
    de vloer
  53. la pared
    de muur
  54. el techo
    het plafond/ het dak
  55. el balcón
    het balkon
  56. la terraza
    het terras
  57. el jardín
    de tuin
  58. la planta baja
    de benedenverdieping/ de begane grond
  59. el desván
    de zolder
  60. el sótano, la bodega
    de (wijn-) kelder
  61. los muebles
    de meubels
  62. los aparatos
    de apparatuur
  63. el sofá
    de bank
  64. el sillón
    de fauteuil
  65. la mesa
    de tafel
  66. la silla
    de stoel
  67. el mueble
    het meubel
  68. la televisión
    de TV
  69. la planta
    de verdieping/ de plant
  70. la alfombra
    het vloerkleed
  71. la cama individua
    het eenpersoonsbed
  72. la cama de matrimonio
    het tweepersoonsbed
  73. el espejo
    de spiegel
  74. el armario
    de kast
  75. la mesilla (de noche)
    het (nacht-) kastje
  76. la bañera
    het bad
  77. el lavabo
    de wastafel
  78. la ducha
    de douche
  79. la placa
    de kookplaat
  80. el fregadero
    de spoelbak
  81. la lavadora
    de wasmachine
  82. la secadora
    de wasdroger
  83. el lavavajillas
    de vaatwasser
  84. el microondas
    de magnetron
  85. la nevera/ el frigorífico
    de koelkast
  86. el horno
    de oven
  87. los lugares
    de plaatsen/ de plekken
  88. en
    in/ bij/ op
  89. cerca de
    vlak bij
  90. al final de
    aan het einde van
  91. a la derecha
    rechts
  92. a la izquierda
    links
  93. entre
    tussen
  94. enfrente
    tegenover
  95. al lado (de)
    naast
  96. abrir
    open doen
  97. abierto
    opengedaan
  98. decir
    zeggen
  99. dicho
    gezegd
  100. escribir
    schrijven
  101. escrito
    geschreven
  102. hacer
    doen
  103. hecho
    gedaan
  104. morir
    sterven
  105. muerto
    gestorven
  106. poner
    zetten, leggen
  107. puesto
    gezet, gelegd
  108. romper
    breken, kapot maken
  109. roto
    gebroken, kapot gemaakt
  110. ver
    zien
  111. visto
    gezien
  112. volver
    teruggaan, terugkomen
  113. vuelto
    teuggegaan, teruggekomen
  114. acabar
    beëindigen, stoppen
  115. la estación de servicio
    het tankstation
  116. después de
    na
  117. después del verano
    na de zomer
  118. ir de vacaciones
    op vakantie gaan
  119. ¡Qué casualidad!
    Wat een toeval !
  120. alguna vez
    al eens (een keer)
  121. nunca
    nooit
  122. robar
    stelen
  123. me han robado
    ze hebben van me gestolen
  124. mi cartera
    mijn portemonnee
  125. mi cámara digital
    mijn digitale camera
  126. ya
    al
  127. la fiesta
    het feest
  128. alquilar
    huren
  129. mejor
    beter, best
  130. sus mejores canciones
    zijn beste liedjes
  131. el fin de semana pasado
    het afgelopen weekend
  132. famoso/ -a
    beroemd
  133. hace un año
    een jaar geleden
  134. hace un día
    een dag geleden
  135. hace un mes
    een maand geleden
  136. hace una semana
    een week geleden
  137. intentar
    proberen
  138. por última vez
    voor de laatste keer
  139. la última película
    de laatste film
  140. último/ última
    laatste
  141. ¿Adónde?
    Waarheen?
  142. ¿Cuál/ cuáles?
    Welk, welke?
  143. ¿Qué?
    Wat?
  144. ¿Cuánto/ cuánta/ cuántos/ cuántas?
    Hoeveel?
  145. ¿Cómo?
    Hoe?
  146. ¿Quién/ quiénes?
    Wie?
  147. ¿Cuándo?
    Wanneer?
  148. ¿A qué hora...?
    Hoe laat?
  149. ¿Por qué?
    Waarom?
  150. porque
    omdat
  151. ¿Dónde está el/ la ...?
    Waar is de/ het ... ?
  152. ¿Dónde hay un/ una ...?
    Waar is er een ...?
  153. el color/ los colores
    de kleur/ de kleuren
  154. ¿Qué color tiene?
    Welke kleur heeft hij?
  155. marrón
    bruin
  156. gris
    grijs
  157. rojo
    rood
  158. blanco
    wit
  159. azul
    blauw
  160. negro
    zwart
  161. amarillo
    geel
  162. verde
    groen
  163. naranja
    oranje
  164. el peluquero
    de kapper
  165. limpio
    schoon
  166. ¡Qué va!
    Welnee!
  167. ni siquiera
    niet eens
  168. siempre
    altijd
  169. el aspecto exterior
    het uiterlijk
  170. tiene el pelo largo
    heeft lang haar
  171. tiene el pelo corto
    heeft kort haar
  172. tiene el pelo castaño
    heeft bruin haar
  173. tiene el pelo negro, rubio
    heeft zwart haar
  174. tiene el pelo rubio
    heeft blond haar
  175. es rubio, es rubia
    is blond
  176. tiene los ojos marrones
    heeft bruine ogen
  177. tiene los ojos azules, verdes
    heeft blauwe, groene ogen
  178. es alto
    is lang/ groot
  179. no es muy alta
    is niet zo lang/ groot
  180. es bastante alto
    is tamelijk/ best lang
  181. es calvo
    is kaal
  182. lleva barba
    draagt een baard
  183. lleva bigote
    draagt een snor
  184. la ropa
    de kleding
  185. los materiales
    de materialen
  186. los vaqueros/ el tejano
    de spijkerbroek
  187. pendientes de plata
    zilveren oorbellen
  188. un abrigo
    een jas
  189. un cárdigan
    een vest
  190. un cinturón
    een riem
  191. un collar
    een ketting
  192. un jersey (de lana)
    een (wollen) trui
  193. un pantalón
    een broek
  194. un reloj (de oro)
    een (gouden) horloge
  195. un sombrero
    een hoed
  196. un traje
    een pak
  197. un vestido
    een jurk
  198. una americana
    een colbertje
  199. blusa (de seda)
    een (zijden) blouse
  200. una camisa (de algodón)
    een (katoenen) hemd
  201. una camiseta
    een t-shirt
  202. una cazadora
    een jack
  203. una chaqueta
    een jasje
  204. una corbata
    een das
  205. una falda
    een rok
  206. una gorra
    een pet
  207. una sudadera (un suéter)
    een sweater
  208. (unas) botas (de cuero)
    (leren) laarzen
  209. (unas) gafas
    een bril
  210. (unas) zapatillas
    sportschoenen (sneakers)
  211. (unos) guantes
    een paar handschoenen
  212. (unos) zapatos (de cuero)
    een paar (leren) schoenen
  213. (unos) calcetines
    een paar sokken
  214. pana
    ribfluweel
  215. ropa interior
    ondergoed
  216. medias negras
    zwarte panty's
  217. sandalias
    sandalen
  218. chaleco
    gilet
  219. lana
    wol
  220. oro
    goud
  221. seda
    zijden
  222. Irene y Olaf
    Irene en Olaf
  223. Olaf e Irene
    Olaf en Irene
  224. el texto sobre la familia
    de tekst over de familie
  225. cuero
    leer / leren
  226. un sujetador
    een bh
  227. Qué ropa llevas?
    Welke kleding draag je?

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview