Lesblok2 woorden SP-NL.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
89483
Filename:
Lesblok2 woorden SP-NL.txt
Updated:
2011-06-06 15:52:52
Tags:
Lesblok2 woorden SP NL
Folders:

Description:
Lesblok2 woorden SP-NL
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ¡Cómo no!
    Uiteraard!
  2. ¡Qué aproveche!
    Eet smakelijk!
  3. ¿A qué nombre?
    Op welke naam?
  4. al fondo
    achteraan
  5. a la derecha
    rechts, aan de rechterkant
  6. a la izquierda
    links, aan de linkerkant
  7. aire acondicionado
    airconditioning
  8. con vista al mar
    met uitzicht op zee
  9. el almuerzo
    de lunch
  10. el botones
    de bellboy
  11. el desayuno
    het ontbijt
  12. el equipaje
    de bagage
  13. entiendo
    ik begrijp (het)
  14. Es muy extraño.
    Het is heel vreemd.
  15. Estamos muy cansados.
    We zijn heel moe.
  16. Estoy muy cansado/ -a.
    Ik ben heel moe.
  17. ha llamado
    hij heeft gebeld
  18. ha reservado
    hij heeft gereserveerd
  19. hace un mes
    een maand geleden
  20. he mandado
    ik heb gestuurd
  21. hemos comido
    we hebben gegeten
  22. hemos reservado
    we hebben gereserveerd
  23. hemos salido
    we zijn uitgegaan
  24. IVA incluído
    inclusief BTW
  25. la cena
    het diner
  26. llevar
    dragen/ brengen
  27. más o menos
    ongeveer
  28. quedan habitaciones
    er zijn nog kamers (over)
  29. una doble
    een tweepersoonskamer
  30. una habitación
    een kamer
  31. una individual
    een eenpersoonskamer
  32. Yo he trabajado.
    ik heb gewerkt
  33. Yo he ido.
    ik ben gegaan
  34. Yo he vivido.
    ik heb geleefd
  35. Tú has pagado.
    jij hebt betaald
  36. Tú has hablado.
    jij hebt gesproken
  37. Él ha intentado.
    hij heeft geprobeerd
  38. Merche ha bailado.
    Merche heeft gedanst
  39. Nosotros hemos leído.
    we hebben gelezen
  40. Vosotros habéis salido.
    jullie zijn uitgegaan
  41. Yo he dado.
    ik heb gekregen
  42. Ellos han sido.
    zij zijn geweest
  43. Ustedes han estado.
    u bent geweest (mv, estar)
  44. el piso
    het appartement
  45. la casa
    het huis
  46. la superficie
    de oppervlakte
  47. el dormitorio
    de slaapkamer
  48. el salón
    de huiskamer
  49. el cuarto de baño
    de badkamer
  50. la cocina
    de keuken
  51. el baño/ el aseo
    het toilet
  52. el suelo
    de vloer
  53. la pared
    de muur
  54. el techo
    het plafond/ het dak
  55. el balcón
    het balkon
  56. la terraza
    het terras
  57. el jardín
    de tuin
  58. la planta baja
    de benedenverdieping/ de begane grond
  59. el desván
    de zolder
  60. el sótano
    de kelder
  61. la bodega
    de wijnkelder
  62. los muebles
    de meubels
  63. los aparatos
    de apparatuur
  64. el sofá
    de bank
  65. el sillón
    de fauteuil
  66. la mesa
    de tafel
  67. la silla
    de stoel
  68. el mueble
    het meubel
  69. la televisión
    de TV
  70. la planta
    de verdieping/de plant
  71. la alfombra
    het vloerkleed
  72. la cama individua
    het eenpersoonsbed
  73. la cama de matrimonio
    het tweepersoonsbed
  74. el espejo
    de spiegel
  75. el armario
    de kast
  76. la mesilla (de noche)
    het (nacht-) kastje
  77. la bañera
    het bad
  78. el lavabo
    de wastafel
  79. la ducha
    de douche
  80. la placa
    de kookplaat
  81. el fregadero
    de spoelbak
  82. la lavadora
    de wasmachine
  83. la secadora
    de wasdroger
  84. el lavavajillas
    de vaatwasser
  85. el microondas
    de magnetron
  86. la nevera/ el frigorífico
    de koelkast
  87. el horno
    de oven
  88. los lugares
    de plaatsen/ de plekken
  89. en
    in/ bij/ op
  90. cerca de
    vlak bij
  91. al final de
    aan het einde van
  92. a la derecha
    rechts
  93. a la izquierda
    links
  94. entre
    tussen
  95. enfrente
    tegenover
  96. al lado (de)
    naast
  97. abrir
    open doen
  98. abierto
    opengedaan
  99. decir
    zeggen
  100. dicho
    gezegd
  101. escribir
    schrijven
  102. escrito
    geschreven
  103. hacer
    doen
  104. hecho
    gedaan
  105. morir
    sterven
  106. muerto
    gestorven
  107. poner
    zetten, leggen
  108. puesto
    gezet, gelegd
  109. romper
    breken, kapot maken
  110. roto
    gebroken, kapot gemaakt
  111. ver
    zien
  112. visto
    gezien
  113. volver
    teruggaan, terugkomen
  114. vuelto
    teuggegaan, teruggekomen
  115. acabar
    beëindigen, stoppen
  116. la estación de servicio
    het tankstation
  117. después de
    na
  118. después del verano
    na de zomer
  119. ir de vacaciones
    op vakantie gaan
  120. ¡Qué casualidad!
    Wat een toeval !
  121. alguna vez
    al eens (een keer)
  122. nunca
    nooit
  123. robar
    stelen
  124. me han robado
    ze hebben van me gestolen
  125. mi cartera
    mijn portemonnee
  126. mi cámara digital
    mijn digitale camera
  127. ya
    al
  128. la fiesta
    het feest
  129. alquilar
    huren
  130. mejor
    beter, best
  131. sus mejores canciones
    zijn beste liedjes
  132. el fin de semana pasado
    het afgelopen weekend
  133. famoso/ -a
    beroemd
  134. hace un año
    een jaar geleden
  135. hace un día
    een dag geleden
  136. hace un mes
    een maand geleden
  137. hace una semana
    een week geleden
  138. intentar
    proberen
  139. por última vez
    voor de laatste keer
  140. la última película
    de laatste film
  141. último/ última
    laatste
  142. ¿Adónde?
    Waarheen?
  143. ¿Cuál/ cuáles?
    Welk, welke?
  144. ¿Qué?
    Wat?
  145. ¿Cuánto/ cuánta/ cuántos/ cuántas?
    Hoeveel?
  146. ¿Cómo?
    Hoe?
  147. ¿Quién/ quiénes?
    Wie?
  148. ¿Cuándo?
    Wanneer?
  149. ¿A qué hora...?
    Hoe laat?
  150. ¿Por qué?
    Waarom?
  151. porque
    omdat
  152. ¿Dónde está el/ la ...?
    Waar is de/ het ... ?
  153. ¿Dónde hay un/ una ...?
    Waar is er een ...?
  154. el color/ los colores
    de kleur/ de kleuren
  155. ¿Qué color tiene?
    Welke kleur heeft hij?
  156. marrón
    bruin
  157. gris
    grijs
  158. rojo
    rood
  159. blanco
    wit
  160. azul
    blauw
  161. negro
    zwart
  162. amarillo
    geel
  163. verde
    groen
  164. naranja
    oranje
  165. el peluquero
    de kapper
  166. limpio
    schoon
  167. ¡Qué va!
    Welnee!
  168. ni siquiera
    niet eens
  169. siempre
    altijd
  170. el aspecto exterior
    het uiterlijk
  171. tiene el pelo largo
    heeft lang haar
  172. tiene el pelo corto
    heeft kort haar
  173. tiene el pelo castaño
    heeft bruin haar
  174. tiene el pelo negro, rubio
    heeft zwart haar
  175. tiene el pelo rubio
    heeft blond haar
  176. es rubio, es rubia
    is blond
  177. tiene los ojos marrones
    heeft bruine ogen
  178. tiene los ojos azules, verdes
    heeft blauwe, groene ogen
  179. es alto
    is lang/ groot
  180. no es muy alta
    is niet zo lang/ groot
  181. es bastante alto
    is tamelijk/ best lang
  182. es calvo
    is kaal
  183. lleva barba
    draagt een baard
  184. lleva bigote
    draagt een snor
  185. la ropa
    de kleding
  186. los materiales
    de materialen
  187. los vaqueros/ el tejano
    de spijkerbroek
  188. pendientes de plata
    zilveren oorbellen
  189. un abrigo
    een jas
  190. un cárdigan
    een vest
  191. un cinturón
    een riem
  192. un collar
    een ketting
  193. un jersey (de lana)
    een (wollen) trui
  194. un pantalón
    een broek
  195. un reloj (de oro)
    een (gouden) horloge
  196. un sombrero
    een hoed
  197. un traje
    een pak
  198. un vestido
    een jurk
  199. una americana
    een colbertje
  200. blusa (de seda)
    een (zijden) blouse
  201. una camisa (de algodón)
    een (katoenen) hemd
  202. una camiseta
    een t-shirt
  203. una cazadora
    een jack
  204. una chaqueta
    een jasje
  205. una corbata
    een das
  206. una falda
    een rok
  207. una gorra
    een pet
  208. una sudadera (un suéter)
    een sweater
  209. (unas) botas (de cuero)
    (leren) laarzen
  210. (unas) gafas
    een bril
  211. (unas) zapatillas
    sportschoenen (sneakers)
  212. (unos) guantes
    een paar handschoenen
  213. (unos) zapatos (de cuero)
    een paar (leren) schoenen
  214. (unos) calcetines
    een paar sokken
  215. pana
    ribfluweel
  216. ropa interior
    ondergoed
  217. medias negras
    zwarte panty's
  218. sandalias
    sandalen
  219. chaleco
    gilet
  220. lana
    wol
  221. oro
    goud
  222. seda
    zijden
  223. Irene y Olaf
    Irene en Olaf
  224. Olaf e Irene
    Olaf en Irene
  225. el texto sobre la familia
    de tekst over de familie
  226. cuero
    leer / leren
  227. un sujetador
    een bh
  228. Qué ropa llevas?
    Welke kleding draag je?
  229. el hombre
    de man
  230. la mujer
    de vrouw
  231. alto/ -a
    groot/ hoog
  232. bajo/ -a
    klein/ laag
  233. gordo/ -a
    dik
  234. delgado/ -a
    dun/ slank
  235. guapo/ -a
    knap
  236. feo/ -a
    lelijk
  237. grande
    groot
  238. pequeño/ -a
    klein
  239. el pelo (negro, rubio, castaño)
    het haar (zwart, blond, roodbruin)
  240. los ojos (azules, verdes, oscuros)
    de ogen (blauw, groen, donker)
  241. la cabeza
    het hoofd
  242. la rodilla
    de knie
  243. la espalda
    de rug
  244. el brazo
    de arm
  245. la mano
    de hand
  246. la oreja
    het oor
  247. la pierna
    het been
  248. el pie
    de voet
  249. la garganta
    de keel
  250. los probadores
    de paskamers
  251. la caja
    de kassa
  252. la tarjeta (de crédito)
    de creditcard
  253. pagar en efectivo
    cash betalen
  254. esquiar
    skiën
  255. jugar al ajedrez
    schaken
  256. bucear
    duiken
  257. bajar la música
    de muziek zachter zetten
  258. la basura
    het afval
  259. tirar la basura
    het afval weggooien
  260. las telenovelas
    soaps
  261. no tanto
    niet zo
  262. la araña
    de spin
  263. el dátil
    de dadel
  264. Me da(n) miedo.
    Daar ben ik bang voor.
  265. las montañas
    de bergen
  266. Escocia
    Schotland
  267. aburrirse
    zich vervelen
  268. el senderismo
    wandelen (lange afstanden)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview