Werkwoorden SP-NL.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
89492
Filename:
Werkwoorden SP-NL.txt
Updated:
2011-06-06 16:01:25
Tags:
Werkwoorden SP NL
Folders:

Description:
Werkwoorden SP-NL
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. bailar
    dansen
  2. yo bailo
    ik dans
  3. tú bailas
    jij danst
  4. él baila
    hij danst
  5. nosotros bailamos
    wij dansen
  6. vosotros bailáis
    jullie dansen
  7. ellos bailan
    zij dansen
  8. yo he bailado
    ik heb gedanst
  9. tú has bailado
    jij hebt gedanst
  10. él ha bailado
    hij heeft gedanst
  11. nosotros hemos bailado
    wij hebben gedanst
  12. vosotros habéis bailado
    jullie hebben gedanst
  13. ellos han bailado
    zij hebben gedanst
  14. comer
    eten
  15. yo como
    ik eet
  16. tú comes
    jij eet
  17. él come
    hij eet
  18. nosotros comemos
    wij eten
  19. vosotros coméis
    jullie eten
  20. ellos comen
    zij eten
  21. yo he comido
    ik heb gegeten
  22. tú has comido
    jij hebt gegeten
  23. él ha comido
    hij heeft gegeten
  24. nosotros hemos comido
    wij hebben gegeten
  25. vosotros habéis comido
    jullie hebben gegeten
  26. ellos han comido
    zij hebben gegeten
  27. vivir
    leven, wonen
  28. yo vivo
    ik leef, woon
  29. tú vives
    jij leeft, woont
  30. él vive
    hij leeft, woont
  31. nosotros vivimos
    wij leven, wonen
  32. vosotros vivís
    jullie leven, wonen
  33. ellos viven
    zij leven, wonen
  34. yo he vivido
    ik heb geleefd, gewoond
  35. tú has vivido
    jij hebt geleefd, gewoond
  36. él ha vivido
    hij heeft geleefd, gewoond
  37. nosotros hemos vivido
    wij hebben geleefd, gewoond
  38. vosotros habéis vivido
    jullie hebben geleefd, gewoond
  39. ellos han vivido
    zij hebben geleefd, gewoond
  40. buscar
    zoeken, ophalen
  41. yo busco
    ik zoek, haal op
  42. tú buscas
    jij zoekt, haalt op
  43. él busca
    hij zoekt, haalt op
  44. nosotros buscamos
    wij zoeken, halen op
  45. vosotros buscáis
    jullie zoeken, halen op
  46. ellos buscan
    zij zoeken, halen op
  47. yo he buscado
    ik heb gezocht, opgehaald
  48. tú has buscado
    jij hebt gezocht, opgehaald
  49. él ha buscado
    hij heeft gezocht, opgehaald
  50. nosotros hemos buscado
    wij hebben gezocht, opgehaald
  51. vosotros habéis buscado
    jullie hebben gezocht, opgehaald
  52. ellos han buscado
    zij hebben gezocht, opgehaald
  53. cantar
    zingen
  54. yo canto
    ik zing
  55. tú cantas
    jij zingt
  56. él canta
    hij zingt
  57. nosotros cantamos
    wij zingen
  58. vosotros cantáis
    jullie zingen
  59. ellos cantan
    zij zingen
  60. yo he cantado
    ik heb gezongen
  61. tú has cantado
    jij hebt gezongen
  62. él ha cantado
    hij heeft gezongen
  63. nosotros hemos cantado
    wij hebben gezongen
  64. vosotros habéis cantado
    jullie hebben gezongen
  65. ellos han cantado
    zij hebben gezongen
  66. cenar
    dineren
  67. yo ceno
    ik dineer
  68. tú cenas
    jij dineert
  69. él cena
    hij dineert
  70. nosotros cenamos
    wij dineren
  71. vosotros cenáis
    jullie dineren
  72. ellos cenan
    zij dineren
  73. yo he cenado
    ik heb gedineerd
  74. tú has cenado
    jij hebt gedineerd
  75. él ha cenado
    hij heeft gedineerd
  76. nosotros hemos cenado
    wij hebben gedineerd
  77. vosotros habéis cenado
    jullie hebben gedineerd
  78. ellos han cenado
    zij hebben gedineerd
  79. desayunar
    ontbijten
  80. yo desayuno
    ik ontbijt
  81. tú desayunas
    jij ontbijt
  82. él desayuna
    hij ontbijt
  83. nosotros desayunamos
    wij ontbijten
  84. vosotros desayunáis
    jullie ontbijten
  85. ellos desayunan
    zij ontbijten
  86. yo he desayunado
    ik heb ontbeten
  87. tú has desayunado
    jij hebt ontbeten
  88. él ha desayunado
    hij heeft ontbeten
  89. nosotros hemos desayunado
    wij hebben ontbeten
  90. vosotros habéis desayunado
    jullie hebben ontbeten
  91. ellos han desayunado
    zij hebben ontbeten
  92. escuchar
    luisteren
  93. yo escucho
    ik luister
  94. tú escuchas
    jij luistert
  95. él escucha
    hij luistert
  96. nosotros escuchamos
    wij luisteren
  97. vosotros escucháis
    jullie luisteren
  98. ellos escuchan
    zij luisteren
  99. yo he escuchado
    ik heb geluisterd
  100. tú has escuchado
    jij hebt geluisterd
  101. él ha escuchado
    hij heeft geluisterd
  102. nosotros hemos escuchado
    wij hebben geluisterd
  103. vosotros habéis escuchado
    jullie hebben geluisterd
  104. ellos han escuchado
    zij hebben geluisterd
  105. esperar
    wachten, hopen
  106. yo espero
    ik wacht, hoop
  107. tú esperas
    jij wacht, hoopt
  108. él espera
    hij wacht, hoopt
  109. nosotros esperamos
    wij wachten, hopen
  110. vosotros esperáis
    jullie wachten, hopen
  111. ellos esperan
    zij wachten, hopen
  112. yo he esperado
    ik heb gewacht, gehoopt
  113. tú has esperado
    jij hebt gewacht, gehoopt
  114. él ha esperado
    hij heeft gewacht, gehoopt
  115. nosotros hemos esperado
    wij hebben gewacht, gehoopt
  116. vosotros habéis esperado
    jullie hebben gewacht, gehoopt
  117. ellos han esperado
    zij hebben gewacht, gehoopt
  118. estudiar
    studeren
  119. yo estudio
    ik studeer
  120. tú estudias
    jij studeert
  121. él estudia
    hij studeert
  122. nosotros estudiamos
    wij studeren
  123. vosotros estudiáis
    jullie studeren
  124. ellos estudian
    zij studeren
  125. yo he estudiado
    ik heb gestudeerd
  126. tú has estudiado
    jij hebt gestudeerd
  127. él ha estudiado
    hij heeft gestudeerd
  128. nosotros hemos estudiado
    wij hebben gestudeerd
  129. vosotros habéis estudiado
    jullie hebben gestudeerd
  130. ellos han estudiado
    zij hebben gestudeerd
  131. hablar
    spreken
  132. yo hablo
    ik spreek
  133. tú hablas
    jij spreekt
  134. él habla
    hij spreekt
  135. nosotros hablamos
    wij spreken
  136. vosotros habláis
    jullie spreken
  137. ellos hablan
    zij spreken
  138. yo he hablado
    ik heb gesproken
  139. tú has hablado
    jij hebt gesproken
  140. él ha hablado
    hij heeft gesproken
  141. nosotros hemos hablado
    wij hebben gesproken
  142. vosotros habéis hablado
    jullie hebben gesproken
  143. ellos han hablado
    zij hebben gesproken
  144. llamar
    roepen, bellen
  145. yo llamo
    ik roep, bel
  146. tú llamas
    jij roept, belt
  147. él llama
    hij roept, belt
  148. nosotros llamamos
    wij roepen, bellen
  149. vosotros llamáis
    jullie roepen, bellen
  150. ellos llaman
    zij roepen, bellen
  151. yo he llamado
    ik heb geroepen, gebeld
  152. tú has llamado
    jij hebt geroepen, gebeld
  153. él ha llamado
    hij heeft geroepen, gebeld
  154. nosotros hemos llamado
    wij hebben geroepen, gebeld
  155. vosotros habéis llamado
    jullie hebben geroepen, gebeld
  156. ellos han llamado
    zij hebben geroepen, gebeld
  157. llorar
    huilen
  158. yo lloro
    ik huil
  159. tú lloras
    jij huilt
  160. él llora
    hij huilt
  161. nosotros lloramos
    wij huilen
  162. vosotros lloráis
    jullie huilen
  163. ellos lloran
    zij huilen
  164. yo he llorado
    ik heb gehuild
  165. tú has llorado
    jij hebt gehuild
  166. él ha llorado
    hij heeft gehuild
  167. nosotros hemos llorado
    wij hebben gehuild
  168. vosotros habéis llorado
    jullie hebben gehuild
  169. ellos han llorado
    zij hebben gehuild
  170. nadar
    zwemmen
  171. yo nado
    ik zwem
  172. tú nadas
    jij zwemt
  173. él nada
    hij zwemt
  174. nosotros nadamos
    wij zwemmen
  175. vosotros nadáis
    jullie zwemmen
  176. ellos nadan
    zij zwemmen
  177. yo he nadado
    ik heb gezwommen
  178. tú has nadado
    jij hebt gezwommen
  179. él ha nadado
    hij heeft gezwommen
  180. nosotros hemos nadado
    wij hebben gezwommen
  181. vosotros habéis nadado
    jullie hebben gezwommen
  182. ellos han nadado
    zij hebben gezwommen
  183. necesitar
    nodig hebben
  184. yo necesito
    ik heb nodig
  185. tú necesitas
    jij hebt nodig
  186. él necesita
    hij heeft nodig
  187. nosotros necesitamos
    wij hebben nodig
  188. vosotros necesitáis
    jullie hebben nodig
  189. ellos necesitan
    zij hebben nodig
  190. yo he necesitado
    ik heb nodig gehad
  191. tú has necesitado
    jij hebt nodig gehad
  192. él ha necesitado
    hij heeft nodig gehad
  193. nosotros hemos necesitado
    wij hebben nodig gehad
  194. vosotros habéis necesitado
    jullie hebben nodig gehad
  195. ellos han necesitado
    zij hebben nodig gehad
  196. terminar
    eindigen
  197. yo termino
    ik eindig
  198. tú terminas
    jij eindigt
  199. él termina
    hij eindigt
  200. nosotros terminamos
    wij eindigen
  201. vosotros termináis
    jullie eindigen
  202. ellos terminan
    zij eindigen
  203. yo he terminado
    ik heb geëindigd
  204. tú has terminado
    jij hebt geëindigd
  205. él ha terminado
    hij heeft geëindigd
  206. nosotros hemos terminado
    wij hebben geëindigd
  207. vosotros habéis terminado
    jullie hebben geëindigd
  208. ellos han terminado
    zij hebben geëindigd
  209. tomar
    nemen
  210. yo tomo
    ik neem
  211. tú tomas
    jij neemt
  212. él toma
    hij neemt
  213. nosotros tomamos
    wij nemen
  214. vosotros tomáis
    jullie nemen
  215. ellos toman
    zij nemen
  216. yo he tomado
    ik heb genomen
  217. tú has tomado
    jij hebt genomen
  218. él ha tomado
    hij heeft genomen
  219. nosotros hemos tomado
    wij hebben genomen
  220. vosotros habéis tomado
    jullie hebben genomen
  221. ellos han tomado
    zij hebben genomen
  222. trabajar
    werken
  223. yo trabajo
    ik werk
  224. tú trabajas
    jij werkt
  225. él trabaja
    hij werkt
  226. nosotros trabajamos
    wij werken
  227. vosotros trabajáis
    jullie werken
  228. ellos trabajan
    zij werken
  229. yo he trabajado
    ik heb gewerkt
  230. tú has trabajado
    jij hebt gewerkt
  231. él ha trabajado
    hij heeft gewerkt
  232. nosotros hemos trabajado
    wij hebben gewerkt
  233. vosotros habéis trabajado
    jullie hebben gewerkt
  234. ellos han trabajado
    zij hebben gewerkt
  235. viajar
    reizen
  236. yo viajo
    ik reis
  237. tú viajas
    jij reist
  238. él viaja
    hij reist
  239. nosotros viajamos
    wij reizen
  240. vosotros viajáis
    jullie reizen
  241. ellos viajan
    zij reizen
  242. yo he viajado
    ik heb gereisd
  243. tú has viajado
    jij hebt gereisd
  244. él ha viajado
    hij heeft gereisd
  245. nosotros hemos viajado
    wij hebben gereisd
  246. vosotros habéis viajado
    jullie hebben gereisd
  247. ellos han viajado
    zij hebben gereisd
  248. aprender
    leren
  249. yo aprendo
    ik leer
  250. tú aprendes
    jij leert
  251. él aprende
    hij leert
  252. nosotros aprendemos
    wij leren
  253. vosotros aprendéis
    jullie leren
  254. ellos aprenden
    zij leren
  255. yo he aprendido
    ik heb geleerd
  256. tú has aprendido
    jij hebt geleerd
  257. él ha aprendido
    hij heeft geleerd
  258. nosotros hemos aprendido
    wij hebben geleerd
  259. vosotros habéis aprendido
    jullie hebben geleerd
  260. ellos han aprendido
    zij hebben geleerd
  261. comer
    eten
  262. yo como
    ik eet
  263. tú comes
    jij eet
  264. él come
    hij eet
  265. nosotros comemos
    wij eten
  266. vosotros coméis
    jullie eten
  267. ellos comen
    zij eten
  268. yo he comido
    ik heb gegeten
  269. tú has comido
    jij hebt gegeten
  270. él ha comido
    hij heeft gegeten
  271. nosotros hemos comido
    wij hebben gegeten
  272. vosotros habéis comido
    jullie hebben gegeten
  273. ellos han comido
    zij hebben gegeten
  274. comprender
    begrijpen
  275. yo comprendo
    ik begrijp
  276. tú comprendes
    jij begrijpt
  277. él comprende
    hij begrijpt
  278. nosotros comprendemos
    wij begrijpen
  279. vosotros comprendéis
    jullie begrijpen
  280. ellos comprenden
    zij begrijpen
  281. yo he comprendido
    ik heb begrepen
  282. tú has comprendido
    jij hebt begrepen
  283. él ha comprendido
    hij heeft begrepen
  284. nosotros hemos comprendido
    wij hebben begrepen
  285. vosotros habéis comprendido
    jullie hebben begrepen
  286. ellos han comprendido
    zij hebben begrepen
  287. correr
    rennen
  288. yo corro
    ik ren
  289. tú corres
    jij rent
  290. él corre
    hij rent
  291. nosotros corremos
    wij rennen
  292. vosotros corréis
    jullie rennen
  293. ellos corren
    zij rennen
  294. yo he corrido
    ik heb gerend
  295. tú has corrido
    jij hebt gerend
  296. él ha corrido
    hij heeft gerend
  297. nosotros hemos corrido
    wij hebben gerend
  298. vosotros habéis corrido
    jullie hebben gerend
  299. ellos han corrido
    zij hebben gerend
  300. creer
    geloven
  301. yo creo
    ik geloof
  302. tú crees
    jij gelooft
  303. él cree
    hij gelooft
  304. nosotros creemos
    wij geloven
  305. vosotros creéis
    jullie geloven
  306. ellos creen
    zij geloven
  307. yo he creído
    ik heb geloofd
  308. tú has creído
    jij hebt geloofd
  309. él ha creído
    hij heeft geloofd
  310. nosotros hemos creído
    wij hebben geloofd
  311. vosotros habéis creído
    jullie hebben geloofd
  312. ellos han creído
    zij hebben geloofd
  313. leer
    lezen
  314. yo leo
    ik lees
  315. tú lees
    jij leest
  316. él lee
    hij leest
  317. nosotros leemos
    wij lezen
  318. vosotros leéis
    jullie lezen
  319. ellos leen
    zij lezen
  320. yo he leído
    ik heb gelezen
  321. tú has leído
    jij hebt gelezen
  322. él ha leído
    hij heeft gelezen
  323. nosotros hemos leído
    wij hebben gelezen
  324. vosotros habéis leído
    jullie hebben gelezen
  325. ellos han leído
    zij hebben gelezen
  326. prometer
    beloven
  327. yo prometo
    ik beloof
  328. tú prometes
    jij belooft
  329. él promete
    hij belooft
  330. nosotros prometemos
    wij beloven
  331. vosotros prometéis
    jullie beloven
  332. ellos prometen
    zij beloven
  333. yo he prometido
    ik heb beloofd
  334. tú has prometido
    jij hebt beloofd
  335. él ha prometido
    hij heeft beloofd
  336. nosotros hemos prometido
    wij hebben beloofd
  337. vosotros habéis prometido
    jullie hebben beloofd
  338. ellos han prometido
    zij hebben beloofd
  339. vender
    verkopen
  340. yo vendo
    ik verkoop
  341. tú vendes
    jij verkoopt
  342. él vende
    hij verkoopt
  343. nosotros vendemos
    wij verkopen
  344. vosotros vendéis
    jullie verkopen
  345. ellos venden
    zij verkopen
  346. yo he vendido
    ik heb verkocht
  347. tú has vendido
    jij hebt verkocht
  348. él ha vendido
    hij heeft verkocht
  349. nosotros hemos vendido
    wij hebben verkocht
  350. vosotros habéis vendido
    jullie hebben verkocht
  351. ellos han vendido
    zij hebben verkocht
  352. beber
    drinken
  353. yo bebo
    ik drink
  354. tú bebes
    jij drinkt
  355. él bebe
    hij drinkt
  356. nosotros bebemos
    wij drinken
  357. vosotros bebéis
    jullie drinken
  358. ellos beben
    zij drinken
  359. yo he bebido
    ik heb gedronken
  360. tú has bebido
    jij hebt gedronken
  361. él ha bebido
    hij heeft gedronken
  362. nosotros hemos bebido
    wij hebben gedronken
  363. vosotros habéis bebido
    jullie hebben gedronken
  364. ellos han bebido
    zij hebben gedronken
  365. abrir
    open doen
  366. yo abro
    ik doe open
  367. tú abres
    jij doet open
  368. él abre
    hij doet open
  369. nosotros abrimos
    wij doen open
  370. vosotros abrís
    jullie doen open
  371. ellos abren
    zij doen open
  372. yo he abierto
    ik heb open gedaan
  373. tú has abierto
    jij hebt open gedaan
  374. él ha abierto
    hij heeft open gedaan
  375. nosotros hemos abierto
    wij hebben open gedaan
  376. vosotros habéis abierto
    jullie hebben open gedaan
  377. ellos han abierto
    zij hebben open gedaan
  378. escribir
    schrijven
  379. yo escribo
    ik schrijf
  380. tú escribes
    jij schrijft
  381. él escribe
    hij schrijft
  382. nosotros escribimos
    wij schrijven
  383. vosotros escribís
    jullie schrijven
  384. ellos escriben
    zij schrijven
  385. yo he escrito
    ik heb geschreven
  386. tú has escrito
    jij hebt geschreven
  387. él ha escrito
    hij heeft geschreven
  388. nosotros hemos escrito
    wij hebben geschreven
  389. vosotros habéis escrito
    jullie hebben geschreven
  390. ellos han escrito
    zij hebben geschreven
  391. recibir
    ontvangen
  392. yo recibo
    ik ontvang
  393. tú recibes
    jij ontvangt
  394. él recibe
    hij ontvangt
  395. nosotros recibimos
    wij ontvangen
  396. vosotros recibís
    jullie ontvangen
  397. ellos reciben
    zij ontvangen
  398. yo he recibido
    ik heb ontvangen
  399. tú has recibido
    jij hebt ontvangen
  400. él ha recibido
    hij heeft ontvangen
  401. nosotros hemos recibido
    wij hebben ontvangen
  402. vosotros habéis recibido
    jullie hebben ontvangen
  403. ellos han recibido
    zij hebben ontvangen
  404. subir
    stijgen
  405. yo subo
    ik stijg
  406. tú subes
    jij stijgt
  407. él sube
    hij stijgt
  408. nosotros subimos
    wij stijgen
  409. vosotros subís
    jullie stijgen
  410. ellos suben
    zij stijgen
  411. yo he subido
    ik ben gestegen
  412. tú has subido
    jij bent gestegen
  413. él ha subido
    hij is gestegen
  414. nosotros hemos subido
    wij zijn gestegen
  415. vosotros habéis subido
    jullie zijn gestegen
  416. ellos han subido
    zij zijn gestegen
  417. ser
    zijn
  418. yo soy
    ik ben (ser)
  419. tú eres
    jij bent (ser)
  420. él es
    hij is (ser)
  421. nosotros somos
    wij zijn (ser)
  422. vosotros sois
    jullie zijn (ser)
  423. ellos son
    zij zijn (ser)
  424. yo he sido
    ik ben geweest (ser)
  425. tú has sido
    jij bent geweest (ser)
  426. él ha sido
    hij is geweest (ser)
  427. nosotros hemos sido
    wij zijn geweest (ser)
  428. vosotros habéis sido
    jullie zijn geweest (ser)
  429. ellos han sido
    zij zijn geweest (ser)
  430. ser de
    komen uit
  431. yo soy de
    ik kom uit
  432. tú eres de
    jij komt uit
  433. él es de
    hij komt uit
  434. nosotros somos de
    wij komen uit
  435. vosotros sois de
    jullie komen uit
  436. ellos son de
    zij komen uit
  437. yo he sido de
    ik ben gekomen uit
  438. tú has sido de
    jij bent gekomen uit
  439. él ha sido de
    hij is gekomen uit
  440. nosotros hemos sido de
    wij zijn gekomen uit
  441. vosotros habéis sido de
    jullie zijn gekomen uit
  442. ellos han sido de
    zij zijn gekomen uit
  443. tener
    hebben
  444. yo tengo
    ik heb
  445. tú tienes
    jij hebt
  446. él tiene
    hij heeft
  447. nosotros tenemos
    wij hebben
  448. vosotros tenéis
    jullie hebben
  449. ellos tienen
    zij hebben
  450. yo he tenido
    ik heb gehad
  451. tú has tenido
    jij hebt gehad
  452. él ha tenido
    hij heeft gehad
  453. nosotros hemos tenido
    wij hebben gehad
  454. vosotros habéis tenido
    jullie hebben gehad
  455. ellos han tenido
    zij hebben gehad
  456. tener que
    moeten
  457. yo tengo que
    ik moet
  458. tú tienes que
    jij moet
  459. él tiene que
    hij moet
  460. nosotros tenemos que
    wij moeten
  461. vosotros tenéis que
    jullie moeten
  462. ellos tienen que
    zij moeten
  463. yo he tenido que
    ik heb gemoeten
  464. tú has tenido que
    jij hebt gemoeten
  465. él ha tenido que
    hij heeft gemoeten
  466. nosotros hemos tenido que
    wij hebben gemoeten
  467. vosotros habéis tenido que
    jullie hebben gemoeten
  468. ellos han tenido que
    zij hebben gemoeten
  469. ir
    gaan
  470. yo voy
    ik ga
  471. tú vas
    jij gaat
  472. él va
    hij gaat
  473. nosotros vamos
    wij gaan
  474. vosotros vais
    jullie gaan
  475. ellos van
    zij gaan
  476. yo he ido
    ik ben gegaan
  477. tú has ido
    jij bent gegaan
  478. él ha ido
    hij is gegaan
  479. nosotros hemos ido
    wij zijn gegaan
  480. vosotros habéis ido
    jullie zijn gegaan
  481. ellos han ido
    zij zijn gegaan
  482. estar
    zijn
  483. yo estoy
    ik ben
  484. tú estás
    jij bent
  485. él está
    hij is
  486. nosotros estamos
    wij zijn
  487. vosotros estáis
    jullie zijn
  488. ellos están
    zij zijn
  489. yo he estado
    ik ben geweest (estar)
  490. tú has estado
    jij bent geweest (estar)
  491. él ha estado
    hij is geweest (estar)
  492. nosotros hemos estado
    wij zijn geweest (estar)
  493. vosotros habéis estado
    jullie zijn geweest (estar)
  494. ellos han estado
    zij zijn geweest (estar)
  495. hacer
    doen, maken
  496. yo hago
    ik doe, maak
  497. tú haces
    jij doet, maakt
  498. él hace
    hij doet, maakt
  499. nosotros hacemos
    wij doen, maken
  500. vosotros hacéis
    jullie doen, maken
  501. ellos hacen
    zij doen, maken
  502. yo he hecho
    ik heb gedaan, gemaakt
  503. tú has hecho
    jij hebt gedaan, gemaakt
  504. él ha hecho
    hij heeft gedaan, gemaakt
  505. nosotros hemos hecho
    wij hebben gedaan, gemaakt
  506. vosotros habéis hecho
    jullie hebben gedaan, gemaakt
  507. ellos han hecho
    zij hebben gedaan, gemaakt
  508. saber
    weten
  509. yo sé
    ik weet
  510. tú sabes
    jij weet
  511. él sabe
    hij weet
  512. nosotros sabemos
    wij weten
  513. vosotros sabéis
    jullie weten
  514. ellos saben
    zij weten
  515. yo he sabido
    ik heb geweten
  516. tú has sabido
    jij hebt geweten
  517. él ha sabido
    hij heeft geweten
  518. nosotros hemos sabido
    wij hebben geweten
  519. vosotros habéis sabido
    jullie hebben geweten
  520. ellos han sabido
    zij hebben geweten
  521. ver
    zien
  522. yo veo
    ik zie
  523. tú ves
    jij ziet
  524. él ve
    hij ziet
  525. nosotros vemos
    wij zien
  526. vosotros veis
    jullie zien
  527. ellos ven
    zij zien
  528. yo he visto
    ik heb gezien
  529. tú has visto
    jij hebt gezien
  530. él ha visto
    hij heeft gezien
  531. nosotros hemos visto
    wij hebben gezien
  532. vosotros habéis visto
    jullie hebben gezien
  533. ellos han visto
    zij hebben gezien
  534. querer
    willen, houden van
  535. yo quiero
    ik wil, hou van
  536. tú quieres
    jij wilt, houdt van
  537. él quiere
    hij wil, houdt van
  538. nosotros queremos
    wij willen, houden van
  539. vosotros queréis
    jullie willen, houden van
  540. ellos quieren
    zij willen, houden van
  541. yo he querido
    ik heb gewild, gehouden van
  542. tú has querido
    jij hebt gewild, gehouden van
  543. él ha querido
    hij heeft gewild, gehouden van
  544. nosotros hemos querido
    wij hebben gewild, gehouden van
  545. vosotros habéis querido
    jullie hebben gewild, gehouden van
  546. ellos han querido
    zij hebben gewild, gehouden van
  547. jugar
    spelen
  548. yo juego
    ik speel
  549. tú juegas
    jij speelt
  550. él juega
    hij speelt
  551. nosotros jugamos
    wij spelen
  552. vosotros jugáis
    jullie spelen
  553. ellos juegan
    zij spelen
  554. yo he jugado
    ik heb gespeeld
  555. tú has jugado
    jij hebt gespeeld
  556. él ha jugado
    hij heeft gespeeld
  557. nosotros hemos jugado
    wij hebben gespeeld
  558. vosotros habéis jugado
    jullie hebben gespeeld
  559. ellos han jugado
    zij hebben gespeeld
  560. empezar
    beginnen
  561. yo empiezo
    ik begin
  562. tú empiezas
    jij begint
  563. él empieza
    hij begint
  564. nosotros empezamos
    wij beginnen
  565. vosotros empezáis
    jullie beginnen
  566. ellos empiezan
    zij beginnen
  567. yo he empezado
    ik ben begonnen
  568. tú has empezado
    jij bent begonnen
  569. él ha empezado
    hij is begonnen
  570. nosotros hemos empezado
    wij zijn begonnen
  571. vosotros habéis empezado
    jullie zijn begonnen
  572. ellos han empezado
    zij zijn begonnen
  573. soler
    gewoonlijk doen
  574. yo suelo
    ik doe (gewoonlijk)
  575. tú sueles
    jij doet (gewoonlijk)
  576. él suele
    hij doet (gewoonlijk)
  577. nosotros solemos
    wij doen (gewoonlijk)
  578. vosotros soléis
    jullie doen (gewoonlijk)
  579. ellos suelen
    zij doen (gewoonlijk)
  580. yo he solido
    ik heb gewoonlijk gedaan
  581. tú has solido
    jij hebt gewoonlijk gedaan
  582. él ha solido
    hij heeft gewoonlijk gedaan
  583. nosotros hemos solido
    wij hebben gewoonlijk gedaan
  584. vosotros habéis solido
    jullie hebben gewoonlijk gedaan
  585. ellos han solido
    zij hebben gewoonlijk gedaan
  586. olvidar
    vergeten
  587. yo olvido
    ik vergeet
  588. tú olvides
    jij vergeet
  589. él olvide
    hij vergeet
  590. nosotros olvidemos
    wij vergeten
  591. vosotros olvidéis
    jullie vergeten
  592. ellos olviden
    zij vergeten
  593. yo he olvidado
    ik heb vergeten
  594. tú has olvidado
    jij hebt vergeten
  595. él ha olvidado
    hij heeft vergeten
  596. nosotros hemos olvidado
    wij hebben vergeten
  597. vosotros habéis olvidado
    jullie hebben vergeten
  598. ellos han olvidado
    zij hebben vergeten
  599. pagar
    betalen
  600. yo pago
    ik betaal
  601. tú pagas
    jij betaalt
  602. él paga
    hij betaalt
  603. nosotros pagamos
    wij betalen
  604. vosotros pagáis
    jullie betalen
  605. ellos pagan
    zij betalen
  606. yo he pagado
    ik heb betaald
  607. tú has pagado
    jij hebt betaald
  608. él ha pagado
    hij heeft betaald
  609. nosotros hemos pagado
    wij hebben betaald
  610. vosotros habéis pagado
    jullie hebben betaald
  611. ellos han pagado
    zij hebben betaald
  612. ayudar
    helpen
  613. yo ayudo
    ik help
  614. tú ayudas
    jij helpt
  615. él ayuda
    hij helpt
  616. nosotros ayudamos
    wij helpen
  617. vosotros ayudáis
    jullie helpen
  618. ellos ayudan
    zij helpen
  619. yo he ayudado
    ik heb geholpen
  620. tú has ayudado
    jij hebt geholpen
  621. él ha ayudado
    hij heeft geholpen
  622. nosotros hemos ayudado
    wij hebben geholpen
  623. vosotros habéis ayudado
    jullie hebben geholpen
  624. ellos han ayudado
    zij hebben geholpen
  625. comprar
    kopen
  626. yo compro
    ik koop
  627. tú compras
    jij koopt
  628. él compra
    hij koopt
  629. nosotros compramos
    wij kopen
  630. vosotros compráis
    jullie kopen
  631. ellos compran
    zij kopen
  632. yo he comprado
    ik heb gekocht
  633. tú has comprado
    jij hebt gekocht
  634. él ha comprado
    hij heeft gekocht
  635. nosotros hemos comprado
    wij hebben gekocht
  636. vosotros habéis comprado
    jullie hebben gekocht
  637. ellos han comprado
    zij hebben gekocht

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview