Zinnen totaal SP-NL.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
89497
Filename:
Zinnen totaal SP-NL.txt
Updated:
2011-06-06 16:08:12
Tags:
Zinnen totaal SP NL
Folders:

Description:
Zinnen totaal SP-NL
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Hola, me llamo Olaf
    Hallo, mijn naam is Olaf
  2. Es de Amsterdam?
    Bent u van Amsterdam
  3. Sí, soy de Amsterdam
    Ja, ik ben van Amsterdam
  4. Vamos a casa. Hasta luego!
    We gaan naar huis. Tot ziens!
  5. Trabajo con Pedro en Palma
    Ik werk met Pedro in Palma
  6. Tiene un Mercedes?
    Hebt u een Mercedes?
  7. No, desgracidamente no
    Nee, helaas niet.
  8. Tenemos una casa en Marbella
    We hebben een huis in Marbella
  9. Qué tal el trabajo, bueno?
    Hoe is het werk, goed?
  10. Aburrido, pero el sueldo es bueno.
    Saai, maar het salaris is goed.
  11. Me llamo
    Ik heet
  12. Soy de Amsterdam
    Ik kom uit Amsterdam
  13. He estado en Barcelona en mayo
    Ik ben in Barcelona geweest in mei
  14. He trabajado en Nuon, tres años
    Ik heb drie jaar bij Nuon gewerkt
  15. Ahora trabajo en Eneco
    Nu werk ik bij Eneco
  16. Tengo una casa grande en Barcelona
    Ik heb een groot huis in Barcelona
  17. En septiembre vamos a Barcelona
    In september gaan we naar Barcelona
  18. Qué tal Zuidhorn en enero, bueno o aburrido?
    Hoe is Zuidhorn in januari, mooi of vreselijk?
  19. Me llamo Peter Vwermeulen
    Ik heet Peter Vermeulen
  20. Hola, somos Bassie en Adriaan.
    Hallo, Wij zijn Bassie en Adriaan
  21. Soy de Amsterdam. Y Usted?
    Ik ben van Amsterdam. En u?
  22. Ana es una buena amiga
    Ana is een goede vriendin
  23. Siempre voy a casa en junio
    Ik ga altijd naar huis in juni
  24. Trabajamos en Barcelona en agosto
    We werken in Barcelona in augustus
  25. Usted va siempre an Zuidhorn en marzo?
    Gaat u altijd naar Zuidhorn in maart?
  26. En qué trabaja usted?
    Wat voor werk doet u?
  27. Trabaja usted con ordenadores?
    Werkt u met computers?
  28. Está en Londres con los niños
    Zij is in Londen met de kinderen
  29. Un momento por favor
    Een ogenblik, alstublieft
  30. Qué es? Cuesta mucho?
    Wat is het? Kost het veel?
  31. La casa tiene teléfono? No, desgraciadamente no
    Heeft het huis een telefoon? Nee, helaas niet.
  32. Buenos díaz. Es usted el señor López de Madrid?
    Goedendag, bent u meneer López uit Madrid?
  33. Trabajo sin sueldo en una empresa americana.
    Ik werk zonder loon bij een Amerikaans bedrijf
  34. Ahora tengo un trabajo mejor
    Nu heb ik een betere baan.
  35. Trabajo para tres bancos grandes
    Ik werk voor drie grote banken
  36. Paco! Qué tal?
    Paco! Hoe haat het met je?
  37. Vamos a Barcelona?
    Gaan we naar Barcelona?
  38. Tenemos buenos asientos en el avión
    We hebben goede zitplaatsen in het vliegtuig
  39. Yo tengo un Mercedes? Qué va!
    Heb ik een Mercedes? Komaan!
  40. Mi amiga habla español, pero no mucho
    Mijn vriendin spreeks spaans, maar niet veel.
  41. Voy de vacaciones con Moekie
    Ik ga op vakantie met Moekie.
  42. Tiene usted una habitación?
    Hebt u een kamer?
  43. Es un poco grande
    Het is een beetje groot
  44. A qué hora es el desayuno?
    Hoe laat is het ontbijt?
  45. Los ordenadores son caros
    De computers zijn duur
  46. Quisiéramos comar algo.
    We zouden graag iets eten
  47. Cuánto cuesta el té?
    Hoeveel kost de thee?
  48. Dónde está la cafetería? A la derecha?
    Waar is het koffiehuis, rechts?
  49. Vamos a Tossa a las dos
    We gaan naar Tossa om twee uur
  50. Perdone, la cuenta, por favor
    Excuseer, de rekening alstublieft
  51. Hay un banco aquí cerca?
    Is er een bank hier in de buurt?
  52. Dónde hay un teléfono? A la derecha?
    Waar is er een telefoon? Rechts?
  53. Podemos comer unas tostadas aquí?
    Kunnen we hier toast eten?
  54. Hay asientos para cuatro?
    Zijn er zitplaatsen voor vier?
  55. Tiene una mesa? A las ocho y media?
    Hebt u een tafel? Voor half negen?
  56. Somos seis
    We zijn met zes
  57. Vamos al banco y luego a la cafetería, vale?
    We gaan naar de bank en daarna naar het koffiehuis, goed?
  58. Puede reparar el Seat? Está roto.
    Kunt u de Seat herstellen? Hij is stuk
  59. Estamos en la habitiación. Dónde está usted?
    Wij zijn in de kamer. Waar bent u?
  60. Las tapas están estupendas.
    De Spaanse snacks zijn uitstekend
  61. Puedo comer mucho
    Ik kan er veel van eten
  62. Puedo preguntarle?
    Mag ik u iets vragen?
  63. No podemos ir de vacaciones en junio
    Wij kunnen niet met vakantie gaan in juli
  64. No tenemos dinero
    We hebben geen geld
  65. Dónde está el camarero. Tiene mi cuenta?
    Waar is de kelner? Heeft hij mijn rekening?
  66. Dónde están los servicios? A la izquierda?
    Waar zijn de toiletten? Links?
  67. Moekie y yo quisiéramos ir a Barcelona.
    Moekie en ik zouden graag naar Barcelona gaan
  68. Perdone, tengo sólo treinta euros y una tarjeta de crédito
    Excuseer, ik heb slechts 30 euro en een creditcard
  69. Cuatro euros para una tortilla fría? Es muy cara
    4 euro voor een koude tortilla? Dat is heel duur
  70. He estado en Sevilla para una noche.
    Ik ben in Sevilla geweest voor 1 nacht
  71. Cuesta menos en noviembre
    Het kost minder dan in november
  72. La Señora López es muy guapa.
    Mevrouw López ziet er heel knap uit.
  73. Dónde trabaja? Muy cerca?
    Waar werkt ze? Vlakbij?
  74. De acuerdo! Tomamos el Seat para abril
    Akkoord! We nemen de Seat voor april.
  75. Zuidhorn no es bonito en noviembre
    Zuidhorn is niet mooi in november
  76. He trabajado un poco con ordenadores.
    Ik heb een beetje gewerkt met computers.
  77. No es fácil.
    Het is niet gemakkelijk
  78. Cuántos meses hemos estado aquí? Catorce?
    Hoeveel maanden zijn we hier geweest? Veertien?
  79. Lo sient, tengo que ir
    Het spijt me, ik moet gaan
  80. Quisiéramos ir de compras
    We zouden graag gaan winkelen
  81. Dónde hay tiendas?
    Waar zijn er winkels?
  82. A qué hora están abiertas?
    Hoe laat zijn ze open?
  83. Quisiera comprar pan
    Ik zou graag brood kopen
  84. Hoy hace mucho frío
    Vandaag is het heel koud
  85. Madre mía! Lo ha visto?
    Hemeltjelief! Heb je het gezien?
  86. Tenemos que comprar leche
    We moeten melk kopen
  87. Hemos comido mucho
    We hebben veel gegeten
  88. No tiene una tele? No importa
    U hebt geen tv? Geen probleem
  89. Podemos comprar sellos en el estanco, verdad?
    We kunnen postzegels kopen in de tabakswinkel, niet?
  90. Has visto el tenis en la tele? Sí, he visto todo
    Heb je het tennis gezien op de televisie? Ja ik heb alles gezien
  91. Era muy amable, como siempre
    Ze was heel vriendelijk, zoals altijd
  92. Madre mía! Todos los huevos están rotos! No importa
    Hemeltjelief! Alle eieren zijn stuk! Geen probleem.
  93. Ayer era un día bastante bueno.
    Gisteren was een tamelijk goede dag.
  94. Los periódicos neerlandeses no eran baratos
    De Nederlandse kranten waren niet goedkoop.
  95. Creo que he visto una tintorería en El Corte Inlés
    Ik geloof dat ik een stomerij heb gezien in El Corte Ingés
  96. Hasta qué hora tienes que trabajar? Hasta las ocho?
    Tot hoe laat moet je werken? Tot acht uur?
  97. Cuándo tenemos que ir?
    Wanneer moeten we gaan?
  98. No puedo ir, hasta más tarde
    Ik kan niet gaan, tot later
  99. En noviembre siempre hace mal tiempo en Holanda
    In november is het altijd slecht weer in Holland
  100. Qué ha comprado?
    Wat hebt u gekocht?
  101. Seis botellas de vino tinto? Estupendo!
    Zes flessen rode wijn? Schitterend!
  102. Talla 38: es demasiado grande?
    Maat 38: is dat te groot?
  103. Hace mucho frío en esta casa.
    Het is heel koud in dit huis
  104. Tengo que comprar algo
    Ik moet iets kopen
  105. Primero he ido de compras y después hemos comido con amigos
    Eerst ben ik gaan winkelen en daarna hebben we gegeten met vrienden
  106. Tenemos la nueva tele desde ayer. Y hoy está rota!
    We hebben de nieuwe tv sinds gisteren. En vandaag is hij stuk!
  107. Ha comprado una maleta negra, no roja, verdad?
    U hebt een zwarte koffer gekocht, geen rode, niet?
  108. Todo era demasiado caro. Entonces no hemos comprado nada
    Alles was te duur. En dus hebben we niets gekocht
  109. Quién es el dependiente? Dónde hay leche?
    Wie is de verkoper? Waar is er melk?
  110. No tenemos la camiseta en verde y al mismo precio
    We hebben het T-shirt niet in (het) groen en voor dezelfde prijs
  111. Quisiera comprar algo para mí. Pero nada demasiado caro
    Ik zou graag iets kopen voor mij. Maar niets te duur.
  112. Estudio español para trabajar en Barcelona.
    Ik studeer Spaans om in Barcelona te werken
  113. Yo soy española pero ella es de Colombia.
    Ik ben Spaanse, maar zij komt uit Colombia
  114. ¿Qué bebéis: vino o cerveza?
    Wat drinken jullie? Wijn of bier?
  115. ¡Buenos días, señor Jansen! ¿Qué desea (usted)?
    Goedendag meneer Jansen! Wat wenst u?
  116. Marta, ¿sabes cuándo empieza el examen?
    Marta, weet jij wanneer de examens beginnen?
  117. No, no lo sé.
    Nee, ik weet het niet
  118. Este sábado vamos al centro comercial.
    Deze zaterdag gaan we naar het winkelcentrum
  119. Tengo un hermano que estudia Química en Madrid.
    Ik heb een zus die chemie studeert in Madrid.
  120. En clase de español leemos textos y hacemos ejercicios de gramática.
    In de Spaanse les lezen we teksten en maken we grammatica-oefeningen
  121. Los padres de mi madre son mis abuelos.
    De ouders van mijn moeder zijn mijn grootouders
  122. De primero quisiera el gazpacho y de segundo la paella.
    Als voorgerecht wil ik gazpacho en als hoofdgerecht de paella
  123. Palma es la capital de Mallorca y es una ciudad muy bonita
    Palma is de hoofdstad van Mallorca en is erg mooie stad
  124. SEAT es marca de coches españoles.
    SEAT is een Spaans merk auto
  125. Yo vivo en Málaga pero soy de Madrid.
    Ik woon in Málaga maar kom uit Madrid
  126. ¿Cómo te llamas?
    Hoe heet je?
  127. ¿Cómo se escribe tu apellido?
    Hoe schrijf je jouw achternaam?
  128. ¿De dónde eres?
    Waar kom je vandaan?
  129. ¿Dónde vives en Holanda?
    Waar woon je in Nederland?
  130. ¿Qué idiomas hablas?
    Welke talen spreek je?
  131. ¿Trabajas o estudias?
    Werk je of studeer je?
  132. ¿Cuántos años tienes?
    Hoe oud ben je?
  133. ¿Qué quieres tomar?
    Wat wil je nemen?
  134. ¿Tienes hermanos?
    Heb je broers?
  135. ¿Cómo se llaman?
    Hoe heten ze?
  136. ¿Cuántos años tienen?
    Hoe oud zijn ze?
  137. ¿Qué hora es?
    Hoe laat is het?
  138. ¿A qué hora te levantas normalmente?
    Hoe laat staat je normaal op?
  139. ¿A qué hora desayunas normalmente?
    Hoe laat ontbijt je meestal?
  140. ¿A qué hora vas al trabajo normalmente?
    Hoe laat ga je normaal naar het werk?
  141. ¿Qué haces normalmente por la noche?
    Wat doe je 's avonds meestal?
  142. ¿Haces algún deporte?
    Doe je een sport?
  143. ¿Tocas algún instrumento?
    Speel je een instrument?
  144. ¿Cuál es tu email?
    Wat is je email?
  145. ¿A qué hora vas a dormir normalmente?
    Hoe laat ga je normaal slapen?
  146. ¿Qué te gusta hacer en los fines de semana?
    Wat doe je graag in het weekend?
  147. ¿Qué quieres hacer?
    Wat wil je nemen?
  148. ¿Cuánto cuesta de Volkskrant?
    Hoe duur is de Volkskrant?
  149. ¿Cuánto cuestan los zapatos?
    Hoe duur zijn de schoenen?
  150. ¿A qué hora abre la tienda?
    Hoe laat opent de winkel?
  151. ¿Dónde está tu móvil?
    Waar is je mobiel?
  152. Yo escribo muchos emails a nuestra oficina en Caracas.
    Ik schrijf veel emails aan ons kantoor in Caracas
  153. Abrimos la ventana porque hace calor.
    We openen het raam omdat het warm is
  154. Ves mucho la tele o sólo el telediario?
    Kijk je veel TV of alleen het nieuws?
  155. ¿Ustedes pagan con euros o con pesos?
    Betaalt u met euro's of pesos? (mv)
  156. Carolina y Beatriz son de Sevilla y bailan fenomenal.
    Carolina y Beatriz komen uit Sevilla en dansen schitterend
  157. Vendo mi portátil porque necesito el dinero.
    Ik verkoop mijn laptop omdat ik het geld nodig heb
  158. Nosotros subimos las escaleras hasta la quinta planta.
    We nemen de trap tot de vijfde verdieping
  159. Oye chicos, ¿ venís a mi fiesta mañana?
    Hey guys, komen jullie naar m'n feestje morgen?
  160. ¿Tú crees que vamos a tener una cesta de Navidad este año?
    Denk je dat we dit jaar een kerstpakket krijgen?
  161. Yo soy un desastre, muchas veces olvido las llaves de mi piso.
    Ik ben een ramp, heel vaak vergeet ik mijn sleutels van mijn appartement
  162. Buenas noches.
    Goedenavond
  163. Hemos reservado una habitación.
    Wij hebben een kamer gereserveerd
  164. ¿A qué nombre?
    Op welke naam?
  165. Es muy extraño pero su nombre no está en mi lista.
    Het is heel vreemd, maar uw naam staat niet op mijn lijst
  166. ¿Cuándo ha reservado?
    Wanneer heeft u gereserveerd?
  167. Hace un mes más o menos,
    Ongeveer een maand geleden
  168. No sé exactamente.
    Ik weet het niet precies
  169. ¿Usted ha llamado por teléfono o ha reservado por internet?
    Heeft u gebeld of heeft u gereserveerd via Internet?
  170. He mandado un email.
    Ik heb een email gestuurd
  171. ¿Hay un problema?
    Is er een probleem?
  172. No hay problema
    Er is geen probleem
  173. Estamos muy cansados
    Wij zijn erg moe
  174. No hemos comido todavía
    We hebben nog niet gegeten
  175. ¿Qué tipo de habitación necesita?
    Welk type kamer heeft u nodig?
  176. ¿El cuarto de baño tiene bañera?
    Heeft de badkamer een ligbad?
  177. ¿Qué precio tiene?
    Welke prijs heeft het?
  178. ¿Podemos comer algo ahora?
    Kunnen we nu iets eten?
  179. El restaurante está allí al fondo a la izquierda
    Het restaurant is daar, aan het einde links
  180. ¡Qué aproveche!
    Eet smakelijk!
  181. Yo compro un coche nuevo.
    Ik koop een nieuwe auto.
  182. Yo he comprado un coche nuevo.
    Ik heb een nieuwe auto gekocht.
  183. Nosotros estamos en la playa.
    We zijn op het strand.
  184. Nosotros hemos estado en la playa.
    We zijn op het strand geweest.
  185. Ellos viven en Argentina.
    Zij wonen in Argentinië.
  186. Ellos han vivido en Argentina.
    Ze hebben in Argentinië gewoond.
  187. Yo hablo español.
    Ik spreek Spaans.
  188. Yo he hablado español.
    Ik heb Spaans gesproken.
  189. Tú hablas español.
    Jij spreekt Spaans.
  190. Tú has hablado español.
    Jij hebt Spaans gesproken.
  191. Él habla español.
    Hij spreekt Spaans.
  192. Él ha hablado español.
    Hij heeft Spaans gesproken.
  193. Nosotros hablamos español.
    Wij spreken Spaans.
  194. Nosotros hemos hablado español.
    Wij hebben Spaans gesproken.
  195. Vosotros habláis español.
    Jullie spreken Spaans.
  196. Vosotros habéis hablado español.
    Jullie hebben Spaans gesproken.
  197. Ellos hablan español.
    Zij spreken Spaans.
  198. Ellos han hablado español.
    Zij hebben Spaans gesproken.
  199. Yo he trabajado.
    Ik heb gewerkt
  200. Yo he ido.
    Ik ben gegaan
  201. Yo he vivido.
    Ik heb geleefd
  202. Tú has pagado.
    Jij hebt betaald
  203. Tú has hablado.
    Jij hebt gesproken
  204. Él ha intentado.
    Hij heeft geprobeerd
  205. Merche ha bailado.
    Merche heeft gedanst
  206. Mi hermano y yo hemos leído.
    Mijn broer en ik hebben gelezen
  207. Vosotros habéis salido.
    Jullie zijn uitgegaan
  208. Eduardo y Paco han dado.
    Eduardo en Paco hebben gegeven
  209. María Paz e Isabel han sido.
    Maria en Isabel zijn geweest (ser)
  210. Ustedes han estado.
    Zij zijn geweest (estar)
  211. Esta mañana yo he trabajado en la estación de servicio
    Deze ochtend heb ik bij het tankstation gewerkt
  212. Este verano hemos estado en Cuba
    Deze zomer zijn we in Cuba geweest
  213. ¿Has leído el libro ‘La catedral del mar?
    Heb je het boek 'La catedral del mar' gelezen?
  214. Mi hermana ha comprado un piso en Blanes
    Mijn zus heeft een appartement in Blanes gekocht
  215. ¿Has comido alguna vez paella en Valencia?
    Heb je al eens paella in Valencia gegeten?
  216. ¿Usted ha pagado la cuenta ya?
    Heeft u al betaald?
  217. En la playa me han robado mi móvil y mi cartera.
    Op hert strand hebben ze mijn mobiel en portemonnee gestolen
  218. Nosotros hemos salido a las cuatro y media de la mañana
    Wij zijn om half vijf in de ochtend vertrokken
  219. El tren ha salido ya
    De trein is al vertrokken.
  220. Han reservado una habitación.
    Ze hebben een kamer gereserveerd.
  221. He mandado un email.
    Ik heb een email gestuurd.
  222. He dado € 2,- al botones.
    Ik heb de bellboy € 2,- gegeven.
  223. ¿A qué hora habéis ido a la fiesta?
    Hoe laat zijn jullie naar het feest gegaan?
  224. Estudio para el examen del lunes.
    Ik studeer voor het examen van maandag
  225. Como en un restaurante muy famoso.
    Ik eet in een heel beroemd restaurant
  226. Jugamos al voleibol en la playa.
    Wij spelen volleybal op het stand
  227. La película empieza a las 20:00.
    De film begint om acht uur
  228. Juan y sus amigos van a un club en Santander.
    Juan en zijn vrienden gaan naar een club in Santander
  229. Este verano alquilamos un coche más grande.
    Deze zomer huren we een grotere auto
  230. Vamos de compras en el centro comercial.
    We gaan winkelen in het winkelcentrum
  231. Enrique canta sus mejores canciones.
    Enrique zingt zijn beste liedjes
  232. ¿Cuándo has vuelto de España?
    Wanneer ben je teruggekomen van Spanje?
  233. ¿Qué has comido hoy?
    Wat heb je vandaag gegeten?
  234. ¿Qué has hecho hoy?
    Wat heb je vandaag gedaan?
  235. ¿Qué has hecho este fin de semana?
    Wat heb je dit weekend gedaan?
  236. ¿Cuál es la última película que has visto?
    Wat is de laatste film die je hebt gezien?
  237. ¿Cuándo has comido por última vez en un restaurante?
    Wanneer heb je voor de laatste keer in een restaurant gegeten?
  238. Hace frío (NIET: está frío)
    Het is koud
  239. Una sofá grande / una gran sofá
    Een grote bank
  240. Un amigo bueno / un buen amigo
    Een goede vriend
  241. ¿Dónde está el piso de Julia?
    Waar is het appartement van Julia?
  242. ¿Cuál es la superficie del piso?
    Wat is de oppervlakte van het appartement?
  243. ¿Cuántos dormitorios tiene?
    Hoeveel slaapkamers heeft het?
  244. ¿Qué hay en el salón?
    Wat is er in de woonkamer?
  245. ¿Cuántas camas hay en el piso?
    Hoeveel kamers zijn er in het appartement?
  246. ¿Dónde están los tres dormitorios?
    Waar zijn de drie slaapkamers?
  247. ¿Qué hay en los dormitorios?
    Wat is er in de slaapkamers?
  248. ¿Qué hay en el cuarto de baño grande?
    Wat is er in de grote badkamer?
  249. ¿Dónde está la ducha?
    Waar is de douche?
  250. ¿Dónde está la lavadora?
    Waar is de wasmachine?
  251. ¿Es un piso antiguo?
    Is het een antiek appartement?
  252. Metros quadrados
    Vierkante meters (m2)
  253. Mi casa es muy grande.
    mijn huis is erg groot
  254. La lavadora es nueva.
    de wasmachine is nieuw
  255. Mis amigos son simpáticos.
    mijn vrienden zijn leuk
  256. La silla es azul.
    de stoel is blauw
  257. La boda es en Madrid
    De bruiloft vindt plaats in Madrid
  258. La fiesta es en la playa
    Het feest vindt plaats op het strand
  259. Soy holandés.
    ik ben Nederlander
  260. Somos peluqueras
    wij zijn kapsters
  261. Pepe es enfermo
    Pepe is ziek (chronisch)
  262. Pepe está enfermo / malo
    Pepe heeft griep
  263. El microondas está en la cocina.
    de magnetron is in de keuken
  264. La cocina no está limpia
    de keuken is niet schoon
  265. El café está frío.
    de koffie is koud
  266. ¿Hay una farmacia cerca?
    is er een apotheek dichtbij
  267. En mi piso hay cuatro dormitorios.
    in mijn appartement zijn vier slaapkamers
  268. Hay muchos problemas en este país.
    er zijn veel problemen in dit land
  269. ¿Hay preguntas?
    zijn er nog vragen?
  270. Su casa tiene un jardín muy grande.
    zijn huis heeft een grote tuin
  271. Yo tengo un piso en Barcelona
    ik heb een appartement in Barcelona
  272. La lavadora está en la cocina y es de marca Siemens.
    De wasmachine is in de keuken en van het merk Siemens.
  273. El piso está en el centro antiguo pero es moderno.
    Het appartement is in het oude centrum, maar modern.
  274. En este dormitorio hay dos camas individuales, son grandes.
    In deze slaapkamer zijn twee eenpersoonsbedden, ze zijn groot.
  275. El piso tiene una terraza pero no tiene jardín.
    Het appartement heeft een terras, maar geen tuin.
  276. ¿Dónde están las plantas? – Bueno, en el salón hay dos.
    Waar zijn de planten? - Nou, in de woonkamer zijn er twee.
  277. El sillón es gris y está al lado del sofá.
    De stoel is grijs en is naast de bank.
  278. Nosotros tenemos una casa en España, está en la Costa Brava.
    We hebben een huis in Spanje, het is aan de Costa Brava.
  279. Muchos holandeses tienen una casita en Turquía porque es menos caro que España.
    Veel Nederlanders hebben een huis in Turkije, omdat het minder duur is dan in Spanje.
  280. ¿Tu casa tiene lavavajillas? – Qué va, ni siquiera tiene/ hay lavadora.
    Heeft jouw huis een vaatwasser? - Welnee, niet eens een wasmachine.
  281. A la derecha del pasillo está el cuarto de baño y a la izquierda hay un salón.
    Aan de rechterkant van de hal is de badkamer en links een lounge.
  282. No me gusta esta falda.
    Ik vind deze rok niet mooi.
  283. ¿Te gustan estos zapatos?
    Vind je deze schoenen mooi?
  284. Él no le gusta leer.
    Hij houdt niet van lezen.
  285. Nos gusta mucho Holanda.
    Wij vinden Nederland heel leuk.
  286. Y a vosotros, ¿os gusta esquiar?
    En jullie, houden jullie van skiën?
  287. Les gusta jugar al ajedrez .
    Zij houden van schaken.
  288. Ya no me acuerdo
    Ik kan het me niet meer herinneren
  289. Me encantan las películas de Pedro Almodóvar.
    Ik vind de films van Pedro Almodóvar heel leuk
  290. A mí me molesta la publicidad en la tele.
    Ik stoor mij me aan de reclame op de televisie
  291. Me duele mucho la espalda.
    Mijn rug doet erg pijn
  292. Y a ti, ¿te interesa la arquitectura?
    En jij, interesseer jij je in architectuur?
  293. ¿Le queda bien el vestido, señora?
    Past/zit de jurk goed mevrouw?
  294. Viajamos en tren.
    Wij reizen met de trein.
  295. ¿Escuchas la radio?
    Luister jij naar de radio?
  296. Aprendo español.
    Ik leer Spaans.
  297. Bailan el tango.
    Zij dansen/ u danst de tango.
  298. Como chorizo.
    Ik eet chorizo.
  299. Bebemos vino tinto.
    Wij drinken rode wijn.
  300. ¡Necesito un médico!
    Ik heb een arts nodig!
  301. ¿Habláis inglés?
    Spreken jullie Engels?
  302. ¿Trabajas en un hospital?
    Werk jij in een ziekenhuis?
  303. No comprendo.
    Ik begrijp het niet.
  304. Yo trabajo en una empresa americana.
    Ik werk bij een Amerikaans bedrijf.
  305. Mi hermana trabaja en una farmacia.
    Mijn zus werkt bij een apotheek.
  306. Nosotros necesitamos un médico.
    Wij hebben een arts nodig.
  307. ¿Vosotros tomáis sangría o vino blanco?
    Nemen jullie sangria of witte wijn?
  308. Ellos buscan la llave.
    Zij zoeken de sleutel.
  309. ¿Tú escuchas música clásica?
    Luister jij naar klassieke muziek?
  310. Yo vivo en La Haya.
    Ik woon in Den Haag.
  311. Mi tío habla italiano.
    Mijn oom spreekt Italiaans.
  312. Nosotros leemos un periódico español.
    Wij lezen een Spaanse krant.
  313. ¿Usted viaja mucho?
    Reist u veel?
  314. (Yo) me llamo Mariska.
    Ik heet Mariska.
  315. ¿Cómo te llamas ?
    Hoe heet jij?
  316. ¿Cómo os llamáis?
    Hoe heten jullie?
  317. Me levanto a las siete.
    Ik sta om 7 uur (=a las siete) op.
  318. Me llamo Jorge y vivo en Madrid.
    Ik heet Jorge en ik woon in Madrid.
  319. Soy holandés/ holandesa.
    Ik ben Nederlander/ Nederlandse.
  320. Soy de Holanda/ España.
    Ik kom uit Nederland/ Spanje.
  321. ¿De dónde eres?
    Waar kom je vandaan?
  322. Vivo en La Haya.
    Ik woon in Den Haag.
  323. ¿De dónde es usted?
    Waar komt u vandaan?
  324. Somos de Holanda.
    Wij komen uit Nederland.
  325. Tengo una casa en Nerja.
    Ik heb een huis in Nerja.
  326. Voy a la playa.
    Ik ga naar het strand.
  327. Tengo que ir.
    Ik moet gaan.
  328. ¿De dónde sois?
    Waar komen jullie vandaan?
  329. ¿Cómo te llamas?
    Hoe heet je?
  330. ¿Cómo se escribe?
    Hoe schrijf je dat?
  331. ¿De dónde eres?
    Waar kom je vandaan?
  332. ¿Tienes hermanos?
    Heb je broers?
  333. ¿Tienes hermanas?
    Heb je zussen?
  334. ¿Mañana vas al supermercado?
    Ga je morgen naar de supermarkt?
  335. ¿Hablas inglés?
    Spreek je Engels?
  336. Escucho la radio.
    Ik luister naar de radio.
  337. Leo el periódico.
    Ik lees de krant.
  338. ¿Trabajas en una tienda?
    Werk je in een winkel?
  339. ¿Estudiáis Economía?
    Studeren jullie Economie?
  340. Trabajo mucho.
    Ik werk veel.
  341. Tenemos que ir.
    We moeten gaan.
  342. ¿Dónde trabaja usted?
    Waar werkt u?
  343. Son de Toledo.
    Ze komen uit Toledo.
  344. No vamos a casa.
    We gaan niet naar huis.
  345. (Ella) no tiene hermanas.
    Ze heeft geen zussen.
  346. Hola … , ¿dónde estás?
    Hallo … , waar ben je?
  347. Estoy en Madrid.
    Ik ben in Madrid
  348. ¿Qué haces?
    Wat doe je?
  349. Leo el periódico.
    Ik lees de krant
  350. ¿Qué tal/ cómo estás?
    Hoe gaat het met je?
  351. Estoy bien.
    Het gaat goed
  352. ¿Adónde vas?
    Waar ga je naartoe?
  353. Voy al supermercado.
    ik ga naar supermarkt
  354. ¿Cómo se llama el profesor/ la profesora?
    Hoe heet de leraar/ lerares (=profesor/ profesora)?
  355. ¿Dónde está Barcelona?
    Waar ligt Barcelona?
  356. Barcelona está en el norte de España.
    Barcelona ligt in noorden van Spanje
  357. ¿Ves mucho la tele?
    Kijk je veel tv?
  358. No, sólo veo el telediario a las ocho.
    nee, ik kijk alleen journaal om 8 uur
  359. ¿Hablas catalán?
    Spreek je Catalaans?
  360. ¿Cuántos estudiantes hay en el aula?
    Hoeveel studenten zijn er in het lokaal?
  361. El hijo de mi tía vive en Salamanca.
    De zoon van mijn tante woont in Salamanca.
  362. Nuestros padres trabajan en un supermercado.
    Onze ouders werken in een supermarkt.
  363. Mis hijos tienen siete y nueve años.
    Mijn kinderen zijn 7 en 9 jaar.
  364. El amigo/ novio de mi hermano toca el piano.
    De vriend van mijn broer speelt piano.
  365. ¿Cómo se llaman sus nietos?
    Hoe heten uw kleinkinderen?
  366. Este hombre es mi tío Jorge.
    Deze man is mijn oom Jorge.
  367. Esta chica es muy lista
    Dit meisje is heel slim.
  368. Ese camarero trabaja mal.
    Die ober werkt slecht.
  369. Esa mujer es mi abuela.
    Die vrouw is mijn oma.
  370. Estos zapatos son bonitos.
    Deze schoenen zijn mooi.
  371. Estas naranjas son caras.
    Deze sinaasappels zijn duur.
  372. Esos chicos son mis amigos.
    Die jongens zijn mijn vrienden.
  373. ¿Esas toallas son de algodón?
    Zijn die badlakens van katoen?
  374. ¿Cómo se llama esto?
    Hoe heet dit?
  375. De primero hay ...
    Als voorgerecht is er ...
  376. De segundo tenemos ...
    Als hoofdgerecht hebben we ...
  377. De postre hay ...
    Als dessert is er ...
  378. ¿Qué hay de primero?
    Wat is er als voorgerecht?
  379. ¿Cuál es el menú del día?
    Wat is het dagmenu?
  380. Para mí también.
    voor mij ook
  381. Para mí lo mismo.
    voor mij hetzelfde
  382. ¿Qué vas a tomar tú?
    Wat ga jij nemen?
  383. ¿Qué quieres?
    Wat wil je?
  384. ¿Qué tomamos de beber?
    Wat nemen we te drinken?
  385. No sé, ¿pedimos ...?
    Ik weet het niet, zullen we ... vragen?
  386. La cuenta, por favor.
    De rekening, alstublieft.
  387. ¿Nos trae(s) la cuenta?
    Kunt u ons de rekening brengen?
  388. ¿Puede cobrar?
    Kunnen we betalen?
  389. ¿Dónde está la llave?
    Waar is de sleutel?
  390. ¿Dónde estás?
    Waar ben je?
  391. El café está frío.
    De koffie is koud.
  392. Estoy enfermo.
    Ik ben ziek
  393. ¿Cómo estás? – Estoy bien, gracias.
    Hoe gaat het met je? – Het gaat goed met me.
  394. ¿Qué es esto?
    Wat is dit?
  395. ¿Qué es eso?
    Wat is dat?
  396. ¿Te acuerdas de aquel chico en nuestra clase?
    Herinner je je nog die jongen in onze klas?
  397. Mi hija nació en el año 1999 en Lima.
    Mijn dochter is geboren in Lima in het jaar 1999.
  398. El número de mi móvil es el 06-22.48.15.67.
    Het nummer van mijn mobiel is 06-22.48.15.67.
  399. Usted puede elegir entre 520 casas de alquiler.
    U kunt kiezen uit 520 huurwoningen.
  400. Hoy hemos viajado 875 kilómetros en 12 horas.
    Vandaag hebben we 875 kilometer gereisd in 12 uur
  401. ¿1.575 euros por un reloj? Me parece carísimo.
    1575 euro voor een horloge? Dat lijkt me heel duur.
  402. 232 personas están inscritas al curso de marketing
    Er staan 232 personen ingeschreven voor de cursus marketing
  403. Hay 125 coches aparcados en el parking.
    Er staan 125 auto’s geparkeerd in de parkeergarage.
  404. La llave de la habitación 215, por favor.
    De sleutel van kamer 215, alstublieft.
  405. España tiene unos 45 millones de habitantes.
    Spanje heeft zo’n 45 miljoen inwoners.
  406. Por favor, ¿qué hora es?
    Pardon, hoe laat is het?
  407. Por favor, ¿tiene(s) la hora?
    Pardon, heeft u/ heb je de tijd?
  408. (Es) la una.
    Het is 1 uur.
  409. (Son) las dos, tres, …
    Het is twee, drie, … uur.
  410. (Son) las dos y media.
    Het is half drie.
  411. (Son) las nueve menos cuarto.
    Het is kwart voor negen.
  412. (Son) las seis y cuarto.
    Het is kwart over zes.
  413. (Es) la una y veinte.
    Het is tien voor half twee.
  414. ¿Qué hora es? – Son las tres.
    Hoe laat is het? – Het is 3 uur.
  415. ¿A qué hora vamos? – A las tres.
    Hoe laat gaan we? – Om 3 uur.
  416. Voy a preparar la comida.
    Ik ga het eten klaarmaken.
  417. Vamos a esquiar en Andorra.
    We gaan skiën in Andorra.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview