LOI Gevorderd NL-ES.txt

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
99442
Filename:
LOI Gevorderd NL-ES.txt
Updated:
2011-09-02 04:14:11
Tags:
LOI gevorderd Nederlands Spaans
Folders:

Description:
LOI gevorderd Nederlands > Spaans
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. vervelend; saai
    aburrido
  2. mooi; aardig
    bonito
  3. een goed idee
    buena idea
  4. goed
    bueno
  5. een paar keer over de kop gaan
    dar unas vueltas
  6. ontdekken
    descubrir
  7. naakt
    desnudo
  8. leuk
    divertido
  9. lift
    el ascensor
  10. legitimatiebewijs
    el carné/el carnet
  11. poster
    el cartel
  12. catalogus
    el catálogo
  13. feestdag
    el día festivo
  14. werkdag
    el día laboral
  15. gebouw
    el edificio
  16. beambte
    el empleado
  17. koude soep
    el gazpacho
  18. garderobe
    el guardarroppa
  19. gids
    el guía
  20. kiosk
    el kiosco
  21. bordje met opschrift
    el letrero
  22. het wonder
    el milagro
  23. museum
    el museo
  24. verdieping
    el piso
  25. plattegrond
    el plano
  26. suppoost
    el vigilante
  27. bezoeker
    el visitante
  28. daarentegen
    en cambio
  29. het is/ik vind het
    es/me parece
  30. moeite; krachtsinspanning; offer
    esfuerzo
  31. vreemd
    extraño
  32. lelijk
    feo
  33. Vlaams
    flamenco
  34. uitgeven van geld
    gastar
  35. grappig
    gracioso
  36. knap
    guapo
  37. in de rij staan
    hacer cola
  38. mooi
    hermoso
  39. associatie; genootschap; vereniging
    la asociación
  40. hostess; stewardess
    la azafata
  41. restaurant
    la cafetería
  42. omstandigheid
    la circunstancia
  43. de rij
    la cola
  44. verzameling
    la colección
  45. ingang; toegangsbewijs
    la entrada
  46. trap
    la escalera
  47. tentoonstelling
    la exposición
  48. de gids
    la guía
  49. de lens
    la lente
  50. de leugen
    la mentira
  51. huid
    la piel
  52. het (museum)stuk
    la pieza
  53. de verdieping
    la planta
  54. ansichtkaart
    la postal
  55. zaal
    la sala
  56. kassa
    la taquilla
  57. tarief
    la tarifa
  58. vitrine
    la vitrina
  59. Spaanse operette
    la zarzuela
  60. slecht
    malo
  61. misselijk worden
    marearse
  62. het maakt me niet uit
    me da igual
  63. ik ben dol op
    me encanta
  64. pardon
    perdone
  65. vervelend; saai
    pesado
  66. prachtig
    precioso
  67. eigenaardig
    raro
  68. achterover geleund
    recostada
  69. kaartjes kopen
    sacar entradas
  70. volgens
    según
  71. saai
    soso
  72. geweldig; prachtig
    una maravilla/maravilloso
  73. afgesproken; goed
    vale
  74. aangezien
    ya que
  75. het is al over
    ya se me ha pasado
  76. wat vindt u van ...?
    ¿que opina sobre ...?
  77. wat vind je van ...?
    ¿que te parece ...?
  78. mijns inziens ...
    a mi modo de ver ...
  79. acteur
    actor
  80. actrice
    actriz
  81. hevig
    agudo
  82. verschijnen
    aparecer
  83. vooruitgaan
    avanzar
  84. een zekere
    cierto
  85. zoals je wilt
    como quieras
  86. ik geloof dat ...
    creo que ...
  87. plotseling
    de repente
  88. ophouden met
    dejar de
  89. verafschuwen
    detestar
  90. adelaar
    el águila [i](vrouwelijk) [/i]
  91. vleugel
    el ala [i](vrouwelijk)[/i]
  92. vogel
    el ave [i](vrouwelijk)[/i]
  93. verhaal
    el cuento
  94. werkloze
    el desempleado
  95. zigeuner
    el gitano
  96. klap
    el golpe
  97. de fee
    el hada [i](vrouelijk)[/i]
  98. de beuk
    el haya [i](vrouwelijk)[/i]
  99. vogel
    el pájaro
  100. werkloze
    el parado
  101. begin
    el principio
  102. koning
    el rey
  103. diefstal
    el robo
  104. clublid
    el socio
  105. strip
    el tebeo
  106. over het algemeen
    en general
  107. naar mijn mening ...
    en mi opinion ...
  108. op de hoogte zijn
    estar al tanto
  109. overtuigd zijn
    estar convencido
  110. het eens zijn
    estar de acuerdo
  111. werkloos zijn
    estar en el paro
  112. ik ben ervan overtuigd dat ...
    estoy convencido de que ...
  113. ik ben het er mee eens
    estoy de acuerdo
  114. winnen
    ganar
  115. draaiboek
    guión
  116. in de richting van; naar
    hacia
  117. investeren
    invertir (ie,i)
  118. trottoir
    la acera
  119. ooievaar
    la cigüeña
  120. vervuiling
    la contaminación
  121. oorlog
    la guerra
  122. de hangmat
    la hamaca
  123. stripverhaal
    la historieta
  124. pensionering
    la jubilación
  125. groente
    la legumbre
  126. gedeelte
    la parte
  127. bevolking
    la población
  128. maatschappij
    la sociedad
  129. soap
    la telenovela
  130. voordeel
    la ventaja
  131. uitzicht
    la vista
  132. binnenlandse zaken
    los asuntos interiores
  133. weggaan
    marcharse
  134. ik vind dat ...
    me parece que ...
  135. niet eens
    ni siquiera
  136. ik houd er helemaal niet van
    no me gusta nada
  137. bezetten
    ocupar
  138. ik denk dat ...
    pienso que ...
  139. overigens
    por cierto
  140. wat mij betreft ...
    por mí ...
  141. volgens mij ...
    según yo ...
  142. dergelijke
    semejante
  143. toch
    sin embargo
  144. zo'n
    tal
  145. gelijk hebben
    tener razón
  146. ik heb de indruk dat ...
    tengo la impresión de que ...
  147. je hebt gelijk
    tienes razon
  148. hoeveel kosten ...?
    ¿a cuánto están ...?
  149. wie is er aan de beurt?
    ¿a quién le toca?
  150. anders nog iets
    ¿algo más?
  151. hoeveel wilt u ongeveer?
    ¿como cuánto quiere?
  152. hoeveel kosten ...?
    ¿cuánto cuestan ...?
  153. waarmee kan ik u van dienst zijn?
    ¿en qué puedo servirle?
  154. mag ik ...?
    ¿me da ...?
  155. mag het iets meer zijn?
    ¿puede ser un poquito más?
  156. wat wenst u?
    ¿que desea usted?
  157. wilt u verder nog iets?
    ¿que más quiere?
  158. wat staat hier?
    ¿que pone aqui?
  159. aan het begin van
    a principios de
  160. tot uw dienst
    a usted
  161. alstublieft {wanneer je iets overhandigt}
    aqui tiene
  162. overvallen
    atracar
  163. onder
    bajo
  164. een ons
    cien gramos
  165. veelvraat
    comilón (adjetivo)
  166. erin slagen
    conseguir (i)
  167. geef me
    deme
  168. slaapkop
    dormilón (adjetivo)
  169. een half pond
    doscientos cincuenta gramos
  170. de slager
    el carnicero
  171. wagentje
    el carrito
  172. boodschappenmand
    el cesto
  173. verkoper
    el dependiente
  174. keizer
    el emperador
  175. winkel voor tabak en postzegels
    el estanco
  176. kalfslapje
    el filete de ternera
  177. paddenstoel
    el hongo
  178. rauwe ham
    el jamón serrano
  179. gekookte ham
    el jamón york
  180. de perzik
    el melocotón
  181. kleinzoon
    el nieto
  182. de bakker
    el panadero
  183. de banketbakker
    el pastelero
  184. paprika
    el pimiento
  185. supermarkt
    el supermercado
  186. monteur
    el técnico
  187. wat betreft
    en cuanto a
  188. in plaats van
    en vez de
  189. dwingen
    forzar (ue)
  190. kletskous
    hablador (adjetivo)
  191. boodschappen doen
    hacer compras
  192. lui
    haragán
  193. gaan winkelen
    ir de comras
  194. de tas
    la bolsa
  195. kassa
    la caja
  196. slagerij
    la carnicería
  197. varkenskotelet
    la chuleta de cerdo
  198. verkoopster
    la dependienta
  199. drogist
    la droguería
  200. apotheek
    la farmacia
  201. groentewinkel
    la fruteria
  202. boodschappenlijstje
    la lista de compras
  203. plak
    la loncha
  204. de strijd
    la lucha
  205. bakkerij
    la panadería
  206. banketbakkerij
    la pastelería
  207. viswinkel
    la pescadería
  208. de watermeloen
    la sandía
  209. zelfbedieningswinkel
    la tienda de autoservicio
  210. kruidenierswinkel
    la tienda de comestibles
  211. stomerij
    la tintorería
  212. schoenenzaak
    la zapatería
  213. spinazie
    las espinacas
  214. anderhalve liter
    litro y medio
  215. zogeheten
    llamado
  216. rijp
    maduro
  217. ik ben aan de beurt
    me toca a mí
  218. een half ...
    medio ...
  219. een pond
    medio kilo
  220. nee, dank u, anders niets
    no, gracias, nada más
  221. opmerken
    notar
  222. heel duidelijk
    obvio
  223. geef me
    pongame
  224. geeft u mij maar
    póngame
  225. ik heb liever ...
    prefiero ...
  226. propageren
    propagar
  227. beschermend
    protector (adjetivo)
  228. regeren
    reinar
  229. lekker
    sabroso
  230. een cijfer halen
    sacar una nota
  231. dom
    tonto
  232. ijverig
    trabajador (adjetivo)
  233. drie kwart ...
    tres cuartos de ...
  234. een kwart ...
    un cuarto de ...
  235. een klio
    un kilo
  236. een liter
    un litro
  237. verenigen
    unificar
  238. goed; ok
    vale
  239. hoepel
    al aro
  240. het beest
    el bicho
  241. ik leid af
    colijo
  242. uit Cádiz
    gaditano
  243. ervandoor gaan
    largarse
  244. bedelaar
    el mendigo
  245. het traliehek
    la reja
  246. de rugleuning
    el respaldo
  247. gezellig samenzijn met vrienden
    la tertulia
  248. welnee!
    ¡qué va!
  249. kent u (ken je) ...?
    ¿conoce(s) a ...?
  250. zich vervelen
    aburrirse
  251. gewend aan
    acostumbrado a
  252. zin hebben in
    apetecer
  253. waarschuwen
    avisar
  254. goedenavond; goedenacht
    buenas noches
  255. goedemiddag
    buenas tardes
  256. goedemorgen
    buenos días
  257. zwijgen
    callarse
  258. jaloers
    celoso
  259. ik ken
    conozco
  260. beseffen
    darse cuenta de
  261. dat zal ik doen {su tegen iemand die je met [i]usted[/i] aanspreekt}
    de su/tu parte
  262. rommelig
    desordenado
  263. middelbare school
    el colegio
  264. zwager
    el cuñado
  265. dokter
    el médico
  266. de groet
    el recuerdo
  267. neef
    el sobrino
  268. schoonvader
    el suegro
  269. schoonzoon
    el yerno
  270. prettig met u kennis te maken
    encantado de conocerle
  271. boos worden
    enfadarse
  272. dit is ...
    éste/ésta es ...
  273. dit zijn ...
    éstos/éstas son ...
  274. onlangs heb ik Carmen gezien
    hace poco vi a Carmen
  275. tot maandag
    hasta el lunes
  276. hallo
    hola
  277. afspraak
    la cita
  278. vulpen
    la estilográfica
  279. de pijl
    la flecha
  280. schoondochter
    la nuera
  281. hulp in de huishouding
    la señora de limpieza
  282. mag ik u/je voorstellen aan ...
    le/te presento a ...
  283. goed met elkaar op kunnen schieten
    llevarse bien
  284. huilen
    llorar
  285. jaloezie
    los celos
  286. goedemiddag; goedenavond {informeel}
    muy buenas
  287. lijken op
    parecerse a
  288. familieleden
    parientes
  289. beginnen te
    ponerse a
  290. klagen
    quejarse
  291. inhalen (van tijd)
    recuperar
  292. bedoelen
    referirse (ie,i) a
  293. saludos a ...; recuerdos a ...; saludas a ...
  294. de groeten aan ...
  295. ze wast haar handen
    se lava las manos
  296. ze doet haar broek aan
    se pone los pantalones
  297. ze doet haar jas uit
    se quita el abrigo
  298. opgewekt zijn
    ser alegre
  299. hartelijk zijn
    ser cariñoso
  300. verstrooid zijn
    ser despistado
  301. verlegen zijn
    ser tímido
  302. rustig zijn
    ser tranquilo
  303. goedmoedig zijn
    tener buen genio
  304. plaatsvinden
    tener lugar
  305. opvliegend zijn
    tener mal genio
  306. verschrikkelijk
    tremendamente
  307. elkaar weer zien
    volver (ue) a verse
  308. ober
    camerero
  309. avocado
    el aguacate
  310. gevulde peper
    el chile relleno
  311. kok
    el cocinero
  312. kokosnoot
    el coco
  313. couvert
    el cubierto
  314. mes
    el cuchillo
  315. nagerecht van suiker en melk
    el dulce de leche
  316. de tomaat
    el jitomate
  317. kookboek
    el libro de cocina
  318. schelpdier
    el marisco
  319. pijnboompit
    el piñon
  320. vork
    el tenedor
  321. onmiddellijk
    enseguida
  322. het is verrukkelijk
    está delicioso
  323. het is overheerlijk
    está riquísimo
  324. ya voy
    ik kom zo bij u
  325. amandel
    la almendra
  326. portefeuille
    la cartera
  327. winkel voor fijne vleeswaren
    la charcutería
  328. sparerib
    la costilla
  329. lepel
    la cuchara
  330. proefster
    la degustadora
  331. de uitgeverij
    la editorial
  332. spitsuur
    la hora punta
  333. zwaar gevoel in de maag
    la pesadez
  334. de beperking
    la restriccíon
  335. (mexicaans) maispannenkoekje
    la tortilla
  336. salades
    las ensaladas
  337. voorgerechten
    los entremeses
  338. ik heb trek in
    me apetece
  339. mag ik de kaart
    me trae la carta
  340. fijn gehakt
    picado
  341. bezorgd
    preocupado
  342. kan ik bestellen
    puedo pedir
  343. het ga u goed
    que les vaya bien
  344. wat zit er in
    qué lleva
  345. wat raadt u me aan
    qué me recomienda
  346. wat wil je bestellen
    qué va a tomar
  347. aanbevelen
    recomendar (ie)
  348. verzamelen
    recopilar
  349. het smaakt verrukkelijk
    sabe a gloria
  350. ze kwam op het idee
    se le ocurrío
  351. vast en zeker
    seguro que
  352. suggereren
    sugerir (ie,i)
  353. het wordt gesereveerd met
    viene con
  354. hoe zit het (van kleding)?
    ¿como le queda?
  355. hebt u geen grotere
    ¿no tiene otro mas grande?
  356. mag ik dit passen?
    ¿puedo probarme este?
  357. welke schoenmaat heeft u?
    ¿qué número calza?
  358. welke maat (schoenen) is het?
    ¿qué número es?
  359. hoe zit het me?
    ¿qué tal me va?
  360. welke maat (kleding) is het?
    ¿qué talla es?
  361. welke maat heeft u?
    ¿qué talla tiene?
  362. kan ik met een creditkaart betalen?
    ¿se puede pagar con tarjeta de crédito?
  363. aanraden
    aconsejar
  364. geel
    amarillo
  365. oranje
    anaranjado
  366. blauw
    azul
  367. dragen (van schoenen)
    calzar
  368. groeien
    crecer
  369. lichtblauw
    de color azul claro
  370. donkerrood
    de color rojo oscuro
  371. lange jas
    el abrigo
  372. de sok
    el calcetín
  373. de riem
    el cinturón
  374. het pakje
    el conjunto
  375. de raad
    el consejo
  376. het schilderij
    el cuadro
  377. het leer
    el cuero
  378. de korting
    el descuento
  379. het ontwerp
    el diseño
  380. het kookpunt; de agitatie
    el hervor
  381. gat; lacune
    el hueco
  382. de regenjas
    el impermeable
  383. het rapport
    el informe
  384. de trui
    el jersey
  385. de paskamer
    el probador
  386. de beha
    el sostén
  387. de sweater
    el suéter
  388. het pak
    el traje
  389. de jurk
    el vestido
  390. de schoen
    el zapato
  391. etalage
    escaparate
  392. het is afgeprijsd
    está rebajado
  393. het is uitverkoop
    hay rebajas
  394. de blouse
    la blusa
  395. de laars
    la bota
  396. kwaliteit
    la calidad
  397. het overhemd
    la camisa
  398. het hemd
    la camiseta
  399. het jasje (colbert)
    la chaqueta
  400. de concurrentie
    la competencia
  401. verovering
    la conquista
  402. de stropdas
    la corbata
  403. de rok
    la falda
  404. de wol
    la lana
  405. (nylon)kous
    la media
  406. de streep
    la raya
  407. het ondergoed
    la ropa interior
  408. de herenafdeling
    la sección de caballeros
  409. de vrouwenafdeling
    la sección de señoras
  410. verrassing
    la sorpresa
  411. de zool
    la suela
  412. zich storten op
    lanzarse a
  413. het slipje
    las bragas
  414. het staat u erg goed
    le va muy bien
  415. stomen
    limpiar en seco
  416. de onderbroek
    los calzoncillos
  417. spijkerbroek
    los vaqueros
  418. luxe
    lujo
  419. bruin
    marrón
  420. het is ...
    me está ...
  421. het zit ...
    me queda ...
  422. hij zit een beetje strak
    me queda un poco estrecho
  423. ik neem deze
    me quedo con éste
  424. paars
    morado
  425. verhuizen
    mudarse
  426. de weelde
    opulencia
  427. volledig
    pleno
  428. passen (van kleding)
    probarse (ue)
  429. ik zou graag willen
    quisiera
  430. ik zou dit willen passen
    quisiera probarme este
  431. klasse-restaurant
    restaurante de categoria
  432. rood
    rojo
  433. roze
    rosado
  434. opduiken; zich voordoen
    surgir
  435. er gaat 10% af
    tiene un descuento del 10%
  436. na
    tras
  437. het past erg goed bij ...
    vay muy bien con ...
  438. groen
    verde
  439. op de uwe
    a la suya
  440. op uw gezondheid
    a su salud
  441. eens kijken
    a ver
  442. ik ben benieuwd of u het leuk vindt
    a ver si le gusta
  443. met betrekking tot
    acerca de
  444. het verzorgen
    acicalamiento
  445. verdragen
    aguantar
  446. blij zijn
    alegrarse
  447. lang
    alto
  448. haastig
    apresurado
  449. goedkeuren
    aprobar (ue)
  450. voor een examen slagen
    aprobar un examen
  451. klein
    bajo
  452. proost
    chinchin
  453. met aandacht
    con atención
  454. met duidelijkheid
    con claridad
  455. met moeite
    con dificultad
  456. met sierlijkheid
    con elegancia
  457. met nauwkeurigheid
    con exactitud
  458. met snelheid
    con rapidez
  459. met rust
    con tranquilidad
  460. jarig zijn
    cumplir años
  461. slank
    delgado
  462. het uiterlijk
    el aspecto físico
  463. de snor
    el bigote
  464. verkoudheid
    el catarro
  465. de bedrijfsleider
    el gerente
  466. de rook
    el humo
  467. de lip
    el labio
  468. de traptrede
    el peldaño
  469. het haar
    el pelo
  470. kort haar
    el pelo corto
  471. lang haar
    el pelo largo
  472. steil haar
    el pelo liso
  473. krullend haar
    el pelo rizado
  474. gefeliciteerd {bij examens, geboorte, huwelijk}
    enhorabuena
  475. inpakken
    envolver (ue)
  476. ingepakt
    envuelto
  477. hopen; wachten
    esperar
  478. ik hoop dat u het leuk vind
    espero que le guste
  479. op dieet zijn
    estar a régimen
  480. dit is voor u
    esto es para usted
  481. vorderen
    exigir
  482. gefeliciteerd met uw verjaardag
    felicidades por su cumpleaños
  483. mager
    flaco
  484. dik
    gordo
  485. dik,grof
    grueso
  486. gezwollen
    hinchado
  487. ik ben vandaag jarig
    hoy es mi cumpleaños; cumplo años hoy
  488. de baard
    la barba
  489. de afbeelding
    la imagen
  490. de onbescheidenheid
    la indiscreción
  491. het vonnis
    la sentencia
  492. het vermoeden
    la sospecha
  493. de sportschoen
    la zapatilla
  494. de bril
    las gafas
  495. ik heb een cadeautje voor u meegebracht
    le he traído un regalo
  496. je bent 4 jaar ouder dan ik
    me llevas cuatro años
  497. donker
    moreno
  498. maar natuurlijk
    no faltaba mas
  499. dat is je niet aan te zien
    no lo aparentas
  500. verplichten
    obligar
  501. plezier hebben
    pasarlo bien
  502. roodharig
    pelirrojo
  503. herkennen
    reconocer
  504. in beroep gaan
    recurrir
  505. afzien van
    renunciar
  506. opgelost
    resuelto
  507. gekruld
    rizado
  508. blond
    rubio
  509. hartelijk bedankt
    se lo agradezco mucho
  510. gemeen hebben
    tener en común
  511. zin hebben om
    tener ganas de

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview