latin words1.txt

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
99483
Filename:
latin words1.txt
Updated:
2012-02-07 13:09:40
Tags:
latijn woorden 17 18
Folders:

Description:
latijn woorden 17-18
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. quondam
    eens
  2. idem, (vrl.), (onz.)
    eadem, idem - dezelfde, hetzelfde
  3. doceo, perf. (inf.)
    docui (docere) - onderwijzen, leren
  4. is, (vrl.), (onz.)
    • ea, id - 1. hij, zij, het
    • 2. deze/dit, die/dat
  5. mos, gen. (geslacht)
    moris (mnl.) - gewoonte, gebruik
  6. praebeo, perf. (inf.)
    praebui (praebere) - verschaffen, aanbieden
  7. fatum
    (nood)lot
  8. amica
    vriendin
  9. dum + conj.
    totdat
  10. mores (mv.)
    karakter, levenswijze, gedrag
  11. constat + wat?
    A.c.I. - het staat vast dat
  12. felix, gen.
    • felicis - 1. gelukkig, gezegend
    • 2. voorspoedig
  13. liberi, gen. (mv.)
    .
    liberorum - kinderen
  14. modus
    wijze, manier
  15. exemplum
    voorbeeld
  16. postremo (bijw.)
    tenslotte
  17. dum + ind.
    terwijl
  18. carus, (vrl.), (onz.)
    dierbaar, geliefd
  19. pro + welke naamval?
    • abl. - 1. voor, ter verdediging van
    • 2. in plaats van, in ruil voor
  20. somnium
    droom
  21. pereo, perf. (inf.)
    perii (perire) - omkomen, te gronde gaan
  22. plebs, acc. (geslacht)
    plebem (vrl.) - volk
  23. adeo, perf. (inf.)
    adii (adire)
  24. socius
    • 1. bondgenoot
    • 2. makker
  25. dubito (inf.)
    (dubitare) - aarzelen
  26. intereo, perf. (inf.)
    interii (interire) - sterven
  27. sui (mv.)
    de zijnen (hunnen), zijn (hun) verwanten, zijn (hun)
  28. occupo (inf.)
    (occupare) - bezetten, in bezit nemen
  29. inimicus
    • 1. (bijv. nw.) vijandig
    • 2. (zelfst. nw.) vijand
  30. prius (bijw.)
    • 1. eerder, vroeger, eerst
    • 2. liever
  31. deleo (inf.)
    (delere) - vernietigen, verwoesten
  32. villa
    landhuis
  33. regio, gen. (geslacht)
    regionis (vrl.) - streek, gebied
  34. premo, perf. (inf.)
    • pressi (premĕre) - 1. drukken
    • 2. in moeilijkheden brengen, in het nauw brengen
  35. rapio, perf. (inf.)
    rapui (rapĕre) - grijpen, roven, meesleuren
  36. exeo, perf. (inf.)
    exii (exire) - uitgaan, weggaan
  37. quattuor (onverbuigbaar)
    vier
  38. equus
    paard
  39. qui, (vrl.), (onz.)
    quae, quod (betr. voornw.) - die/dat, wie/wat
  40. hinc
    van hier, hiervandaan
  41. solus, gen.
    solius - alleen, (als) enige
  42. decet
    het past
  43. invado, perf. (inf.)
    invasi (invadĕre) - binnenvallen, aanvallen
  44. notus, (vrl.), (onz.)
    nota, notum - bekend
  45. unus, gen.
    unius - één, (als) enige, alleen
  46. restituo, perf. (inf.)
    restitui (restituĕre) - herstellen
  47. navis, gen. (geslacht)
    navis (vrl.) - schip
  48. summus, (vrl.), (onz.)
    summa, summum - grootste, hoogste
  49. totus, gen.
    totius - (ge)hele

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview